Gemini antwoord op vragen aanleiding Businesscase
Gemini antwoord op vragen aanleiding Businesscase
Oké, laten we proberen een grove schatting te maken van de totale maandelijkse inkomsten uit eigen bijdragen voor het CAK, gebaseerd op de informatie voor 2025. Het blijft een schatting, omdat de precieze verdeling van inkomens en vermogens binnen de Wlz-groep niet openbaar is.
1. Eigen bijdrage Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning)
* Aantal betalende cliënten: Volgens het CAK Jaarplan 2025 gaat het om ongeveer 955.000 Wmo-cliënten die een opgelegde eigen bijdrage hebben (dit is waarschijnlijk inclusief beschermd wonen). Echter, de Algemene Rekenkamer sprak over ruim 650.000 voor "hulp via de Wmo", wat waarschijnlijk vooral de abonnementstarief-groep betreft. Laten we uitgaan van het CAK-cijfer voor de Wmo algemeen.
* Gemiddelde bijdrage: Voor het abonnementstarief is dit maximaal € 21,- per maand. Maar er zijn uitzonderingen (lagere bedragen, geen bijdrage voor huishoudens met jonge mensen, minimabeleid) en een deel van de Wmo-cliënten (beschermd wonen) betaalt een Wlz-gerelateerde bijdrage. Om een grove schatting te maken, nemen we het maximum abonnementstarief als basis, en erkennen we dat dit een overschatting kan zijn voor een deel van de groep.
* Aantal Wmo abonnementstarief (geschat): Laten we de 650.000 aanhouden die de Rekenkamer noemde voor de abonnementstarief-groep.
* Bijdrage: € 21,- per maand.
* Schatting Wmo (abonnementstarief): 650.000 \times € 21,- \approx € 13.650.000 per maand.
2. Eigen bijdrage Wlz (Wet langdurige zorg) en Beschermd Wonen (Wmo, maar met Wlz-tarieven)
* Aantal betalende cliënten: Ongeveer 400.000 mensen betalen een eigen bijdrage voor de Wlz (inclusief beschermd wonen).
* Gemiddelde bijdrage: Dit is de meest lastige, omdat de bijdrage sterk afhangt van inkomen en vermogen, en varieert van minimaal € 0,- tot bijna € 3.000,- per maand.
* Lage eigen bijdrage (zorg thuis): Maximaal € 900,80 per maand.
* Lage eigen bijdrage (instelling, eerste 4 maanden): Maximaal € 1.076,60 per maand.
* Hoge eigen bijdrage (instelling, na 4 maanden): Maximaal € 2.954,40 per maand.
Om een grove schatting te maken van het gemiddelde voor de hele Wlz-groep, nemen we een indicatief bedrag. Historisch gezien ligt het gemiddelde vaak ergens in het middensegment, omdat veel mensen niet de maximale bijdrage betalen. Laten we uitgaan van een gemiddelde van ongeveer € 500,- tot € 750,- per maand voor de Wlz-groep, als een zeer ruwe inschatting, rekening houdend met de grote spreiding.
* Schatting Wlz: 400.000 \times € 600,- (\text{een middenwaarde}) \approx € 240.000.000 per maand.
Totale grove schatting per maand:
Wmo (abonnementstarief) + Wlz (incl. beschermd wonen)
€ 13.650.000 + € 240.000.000 \approx € 253.650.000 per maand.
Belangrijke kanttekeningen bij deze grove schatting:
* Dit is een zeer ruwe schatting. De werkelijke cijfers kunnen afwijken door de complexe berekeningswijze en de variabiliteit in inkomens en vermogens.
* Niet iedereen betaalt het maximale abonnementstarief voor de Wmo. Sommige gemeenten hanteren een lager tarief, en bepaalde huishoudens betalen niets.
* De verdeling van lage/hoge eigen bijdragen binnen de Wlz is niet meegenomen. Het gemiddelde is een veronderstelling.
* De exacte aantallen betalende cliënten kunnen variëren. De cijfers zijn gebaseerd op de meest recente openbaar beschikbare informatie voor 2025.
Het CAK ontvangt aanzienlijke bedragen aan eigen bijdragen. Volgens hun eigen Jaarplan 2025 verwachten ze in 2025 een "opgelegde eigen bijdrage abonnementstarief" van ongeveer € 130 miljoen per jaar (wat neerkomt op zo'n € 10,8 miljoen per maand). Voor de Wlz en beschermd wonen verwachten ze een "opgelegde eigen bijdrage" van ongeveer € 2,5 miljard per jaar (wat neerkomt op zo'n € 208 miljoen per maand).
Als we hun eigen schattingen gebruiken:
* Wmo abonnementstarief: € 10.8 \text{ miljoen/maand}
* Wlz/Beschermd wonen: € 208 \text{ miljoen/maand}
* Totaal volgens CAK Jaarplan 2025: € 218.8 \text{ miljoen/maand}
Mijn eigen grove schatting lag iets hoger, met name door een hogere aanname voor de gemiddelde Wlz-bijdrage. De cijfers van het CAK zelf zijn uiteraard de meest accurate indicatie.
Het is een veelgestelde vraag of de eigen bijdrage aan het CAK als een soort extra belasting kan worden beschouwd. Het antwoord is genuanceerd: het is geen belasting in de traditionele zin van het woord, maar het heeft wel belastingachtige kenmerken.
Hier zijn de belangrijkste redenen waarom:
Waarom het geen belasting is in de traditionele zin:
* Geen directe heffing door de Belastingdienst: De Belastingdienst int belastingen (inkomstenbelasting, btw, etc.). Het CAK int de eigen bijdrage. Hoewel het CAK gegevens van de Belastingdienst gebruikt voor de berekening (inkomen, vermogen), is het geen belasting die door de Belastingdienst wordt geïnd en in de algemene staatskas vloeit.
* Doelgebondenheid: Een eigen bijdrage is specifiek gekoppeld aan het ontvangen van een bepaalde zorg of ondersteuning (Wmo, Wlz). Het is een bijdrage in de kosten van die specifieke voorziening. Belastingen zijn doorgaans niet direct gekoppeld aan specifieke diensten die je ontvangt; ze financieren de algemene overheidsuitgaven.
* Geen aftrekbaarheid: Sinds 2009 is de eigen bijdrage voor de Wlz en Wmo niet meer aftrekbaar bij de belastingaangifte. Dit benadrukt het verschil met sommige andere zorgkosten die wel aftrekbaar kunnen zijn.
Waarom het wel belastingachtige kenmerken heeft:
* Verplicht karakter: Als u zorg of ondersteuning ontvangt onder de Wmo of Wlz, bent u verplicht een eigen bijdrage te betalen, tenzij u onder een vrijstelling valt. Dit is vergelijkbaar met belastingen: ze zijn verplicht voor iedereen die aan de criteria voldoet.
* Inkomens- en vermogensafhankelijkheid (vooral Wlz): Vooral bij de Wlz (en voor beschermd wonen onder de Wmo) wordt de hoogte van de eigen bijdrage bepaald op basis van uw inkomen en vermogen. Dit is een kenmerk van draagkrachtbeginselen, die ook de basis vormen voor inkomstenbelasting. Hoe meer u verdient, hoe meer u (potentieel) betaalt.
* Financiering van publieke voorzieningen: Hoewel niet direct in de algemene staatskas, draagt de eigen bijdrage bij aan de financiering van de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning. Dit zijn publieke voorzieningen die ten goede komen aan de maatschappij als geheel, vergelijkbaar met hoe belastingen publieke diensten financieren.
* Gebruik van belastinggegevens: Zoals genoemd, gebruikt het CAK uw verzamelinkomen en vermogen (opgegeven bij de Belastingdienst) om de eigen bijdrage te berekenen. Dit toont een sterke koppeling met het fiscale systeem.
Conclusie:
Je kunt de eigen bijdrage aan het CAK zien als een verplichte, inkomensafhankelijke bijdrage aan de kosten van specifieke zorg- en ondersteuningsvoorzieningen. Het is geen belasting in de strikte juridische en fiscale zin van het woord, maar door het verplichte karakter en de koppeling aan draagkracht heeft het wel sterke parallellen met een heffing die door de overheid wordt geïnd om publieke diensten te financieren. Veel mensen ervaren het dan ook als een extra "kostenpost" bovenop hun reguliere belastingen.
Ja, het geld dat het CAK ontvangt aan eigen bijdragen wordt geregistreerd en de besteding ervan is inzichtelijk, al is het niet zo dat je een letterlijke "transactielijst" zult vinden van elke geïnde euro en de specifieke bestemming daarvan.
De besteding van de eigen bijdragen is gekoppeld aan de financiering van de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1. Besteding van eigen bijdragen Wlz (Wet langdurige zorg):
* De eigen bijdragen die het CAK int voor de Wlz komen terecht in het Fonds langdurige zorg (Flz).
* Het Zorginstituut Nederland beheert dit Fonds langdurige zorg. Dit fonds is de centrale pot waaruit de langdurige zorg in Nederland wordt gefinancierd.
* Vanuit het Flz worden de zorgkantoren (uitvoerders van de Wlz) bevoorschot.
* De zorgkantoren betalen vervolgens de zorgaanbieders die Wlz-zorg leveren (bijvoorbeeld verpleeghuizen, instellingen voor gehandicaptenzorg, of zorg die thuis geleverd wordt via een Volledig Pakket Thuis of Modulair Pakket Thuis). Ook persoonsgebonden budgetten (Pgb's) voor Wlz-zorg worden uit dit fonds betaald (via de Sociale Verzekeringsbank, SVB).
* Samengevat: De eigen bijdragen Wlz vloeien naar het Fonds langdurige zorg en worden via dit fonds ingezet om de kosten van de daadwerkelijk geleverde langdurige zorg te dekken.
2. Besteding van eigen bijdragen Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning):
* De eigen bijdragen voor de Wmo worden ook geïnd door het CAK.
* Deze bijdragen komen ten goede aan de gemeenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en financiering van de Wmo.
* De gemeenten gebruiken deze inkomsten (samen met de middelen die ze van het Rijk ontvangen via het gemeentefonds) om de kosten van de Wmo-voorzieningen te dekken, zoals:
* Huishoudelijke hulp
* Begeleiding en dagbesteding
* Woningaanpassingen
* Vervoersvoorzieningen (bijv. scootmobiel, collectief vervoer)
* Beschermd wonen (waarvoor de Wlz-tarieven gelden, maar dit valt onder de Wmo van de gemeente).
* Samengevat: De eigen bijdragen Wmo vloeien naar de gemeenten en worden ingezet om de gemeentelijke Wmo-budgetten aan te vullen, die worden gebruikt voor de vergoeding van maatschappelijke ondersteuning.
Waar kun je dit terugvinden?
* Zorginstituut Nederland: Publiceert jaarlijks gedetailleerde rapporten over de inkomsten en uitgaven van het Fonds langdurige zorg (Flz). Hierin staat ook expliciet vermeld welk deel van de inkomsten uit eigen bijdragen komt.
* Rijksoverheid: De begrotingen en jaarverslagen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bevatten informatie over de financiering van de Wlz en Wmo, inclusief de rol van eigen bijdragen.
* CAK: Het CAK zelf geeft in hun jaarplannen en jaarverslagen inzicht in de verwachte en gerealiseerde inkomsten uit eigen bijdragen, en hun rol in het beheer hiervan. Ze zijn een uitvoerder en geen ontvanger die het geld voor eigen doeleinden behoudt (behalve voor de dekking van hun eigen uitvoeringskosten, die uit de algemene budgetten komen).
* Gemeenten: Gemeenten publiceren hun eigen begrotingen en jaarverslagen, waarin de inkomsten uit Wmo-eigen bijdragen en de uitgaven voor Wmo-voorzieningen worden verantwoord.
Dus ja, hoewel niet per individuele transactie, is de bestemming van de geïnde eigen bijdragen op macroniveau transparant en wordt deze verantwoord in de financiële verslagen van de betrokken overheidsinstanties en uitvoerders.
Afhankelijk van wat je precies bedoelt met "belasting", is het antwoord genuanceerd.
De fondsen voor de langdurige zorg (Wlz) en de maatschappelijke ondersteuning (Wmo), inclusief de eigen bijdragen die het CAK int, komen uiteindelijk wel degelijk (mede) uit middelen die door belastingbetalers worden opgebracht, maar niet altijd direct uit de algemene belastingpot van de Rijksoverheid.
Laten we het specificeren:
* Fonds langdurige zorg (Flz) - voor Wlz-zorg:
* Een heel belangrijk deel van het Flz wordt gefinancierd via de inkomensafhankelijke premie Wlz. Dit is een volksverzekeringspremie. Hoewel het technisch gezien geen "belasting" is in de zin van bijvoorbeeld inkomstenbelasting of btw, wordt deze premie wel via de salarisstrook of belastingaangifte ingehouden en is hij verplicht voor iedereen die in Nederland woont of werkt. In de praktijk voelt dit voor de burger als een belasting.
* Daarnaast is er de Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK), die wel direct uit de algemene middelen (belastingopbrengsten) van het Rijk komt.
* De eigen bijdragen die het CAK int, vloeien ook in dit fonds.
Dus, voor de Wlz: ja, de fondsen komen grotendeels uit een verplichte premie die sterk op een belasting lijkt, aangevuld met reguliere belastinggelden en de eigen bijdragen.
* Middelen voor Wmo - voor maatschappelijke ondersteuning:
* Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de Wmo en ontvangen hiervoor geld uit het Gemeentefonds.
* Het Gemeentefonds wordt hoofdzakelijk gevoed vanuit de algemene belastingopbrengsten van de Rijksoverheid. Denk aan inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, btw, etc.
* De eigen bijdragen Wmo die het CAK int, vloeien direct naar de gemeenten en vullen de budgetten aan die de gemeenten al ontvangen via het Gemeentefonds.
Dus, voor de Wmo: ja, de belangrijkste bron van de gemeentelijke Wmo-budgetten komt indirect uit de algemene belastingopbrengsten, en de eigen bijdragen vullen dit aan.
Samenvattend:
Hoewel de eigen bijdrage zelf geen "belasting" is in de zin van een direct door de Belastingdienst geheven belasting, worden de grote potten waaruit de zorg en ondersteuning worden betaald (Fonds langdurige zorg en Gemeentefonds) wel degelijk gevoed door geld dat via premies (Wlz) en algemene belastingen (Gemeentefonds) wordt opgehaald bij burgers en bedrijven.
Dus als je vraagt "komen de fondsen uit de belasting", is het antwoord: deels direct uit de belasting (voor het Gemeentefonds en de Rijksbijdrage Wlz), en deels uit een verplichte, belastingachtige premie (Wlz-premie), aangevuld met de eigen bijdragen. De eigen bijdrage is dus een aanvulling op deze door belastinggeld en premies gevormde fondsen, en geen volledig losstaand financieel stelsel.
Laten we de bedragen voor het Gemeentefonds en de Rijksbijdrage Wlz voor 2025 bekijken. Het is belangrijk te weten dat dit begrote bedragen zijn en dat er door het jaar heen aanpassingen kunnen plaatsvinden.
1. Het Gemeentefonds (voor 2025):
Het Gemeentefonds is de grootste inkomstenbron voor gemeenten in Nederland. Het wordt gebruikt voor een breed scala aan taken, waaronder een deel van de financiering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Volgens de begrotingsstukken voor 2025 bedraagt het Gemeentefonds voor het jaar 2025 in totaal ongeveer € 44,9 miljard.
Dit bedrag is opgebouwd uit verschillende delen, zoals de algemene uitkering, integratie-uitkeringen (waaronder die voor beschermd wonen onder de Wmo), en decentralisatie-uitkeringen.
2. Rijksbijdrage Wlz (voor 2025):
De Wet langdurige zorg (Wlz) wordt gefinancierd vanuit het Fonds langdurige zorg (Flz), dat hoofdzakelijk wordt gevuld door de inkomensafhankelijke Wlz-premie, eigen bijdragen en een Rijksbijdrage.
Het totale budgettair kader voor de Wlz voor 2025 is vastgesteld op ongeveer € 39,3 miljard.
De exacte omvang van de Rijksbijdrage aan het Fonds langdurige zorg (Flz) varieert jaarlijks en is bedoeld om het Flz op nul te houden, wat betekent dat het bijspringt om tekorten door bijvoorbeeld lagere premieopbrengsten of hogere uitgaven te dekken. Er is niet één vast bedrag dat elk jaar als "Rijksbijdrage Wlz" wordt genoemd, maar het Zorginstituut Nederland geeft aan dat het Flz een Rijksbijdrage ontvangt.
In het algemeen wordt de Wlz dus vooral gefinancierd uit de Wlz-premie die burgers betalen. De Rijksbijdrage Wlz (vaak aangeduid als BIKK - Rijksbijdrage in de kosten van kortingen of algemene Rijksbijdrage aan het Flz) dient als aanvulling om de balans van het Fonds langdurige zorg te waarborgen, mochten de premie- en eigen bijdrage-inkomsten niet toereikend zijn. De hoogte hiervan wordt elk jaar opnieuw bepaald op basis van de verwachte inkomsten en uitgaven van het fonds.
Het is belangrijk te onthouden dat deze cijfers uit de begrotingen komen en gedurende het jaar kunnen worden bijgesteld (bijvoorbeeld in de voorjaarsnota of het najaarsakkoord).
De bedragen voor het Gemeentefonds en de Rijksbijdrage Wlz staan inderdaad naast die € 218,8 miljoen per maand aan verwachte eigen bijdragen aan het CAK. Ze zijn onderdeel van de bredere financieringsstructuur.
Laten we het helder maken:
* Eigen bijdragen (ca. € 218,8 miljoen per maand):
* Dit is het geld dat direct door burgers wordt betaald aan het CAK, als bijdrage in de kosten van ontvangen Wlz-zorg of Wmo-ondersteuning.
* Dit geld vloeit vervolgens door naar het Fonds langdurige zorg (voor Wlz) of naar de gemeenten (voor Wmo).
* Gemeentefonds (ca. € 44,9 miljard per jaar in 2025):
* Dit is de belangrijkste geldstroom van het Rijk naar de gemeenten.
* Een deel van dit geld is door gemeenten bestemd voor de financiering van de Wmo.
* De eigen bijdragen Wmo die het CAK int, vullen de Wmo-budgetten van de gemeenten die zij ontvangen uit het Gemeentefonds aan.
* Wlz-budget (ca. € 39,3 miljard per jaar in 2025):
* Dit is het totale budget voor de langdurige zorg.
* Dit budget wordt gefinancierd uit verschillende bronnen die in het Fonds langdurige zorg terechtkomen:
* De Wlz-premie (betaald door burgers, een belastingachtige heffing). Dit is de grootste bron.
* De eigen bijdragen Wlz (geïnd door het CAK, die € 218,8 miljoen is een deel hiervan).
* De Rijksbijdrage Wlz (BIKK): Dit is een aanvullende bijdrage van het Rijk uit de algemene belastingopbrengsten, om het Fonds langdurige zorg sluitend te maken. Het bedrag hiervan varieert en is geen vast bedrag zoals het totale Wlz-budget. Het is een flexibel bedrag dat nodig is om de kloof tussen uitgaven en andere inkomsten te dichten.
Kortom:
* De € 218,8 miljoen per maand (ongeveer € 2,6 miljard per jaar) aan eigen bijdragen is een onderdeel van de totale financiering van de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning.
* Het Gemeentefonds en de Rijksbijdrage aan de Wlz zijn veel grotere stromen van belastinggeld/premiegeld die de basis vormen voor de financiering van deze sectoren. De eigen bijdragen vullen deze basis aan.
Ze zijn dus geen vervanging van elkaar, maar onderdelen van hetzelfde grotere financieringsplaatje.
Je hebt al een heel goed overzicht van de belangrijkste spelers en geldstromen binnen de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland!
De termen die je noemde:
* Fonds langdurige zorg (Flz): De centrale pot voor de Wlz.
* Wlz (Wet langdurige zorg): De wet die de intensieve langdurige zorg regelt.
* Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning): De wet die gemeenten verantwoordelijk maakt voor ondersteuning thuis en beschermd wonen.
* CAK: De uitvoerder die eigen bijdragen vaststelt en int, en betalingen doet namens de zorgkantoren.
* Gemeentefonds: De belangrijkste financiële bron voor gemeenten, waaruit ook een groot deel van de Wmo wordt gefinancierd.
* Rijksbijdrage (Wlz): De aanvulling van het Rijk op het Flz om het sluitend te maken.
Wat ontbreekt in dit specifieke plaatje (omdat het buiten de directe financiering van Wlz/Wmo valt, maar wel relevant is voor het bredere zorgstelsel en soms raakvlakken heeft) zijn:
* Zorgverzekeringswet (Zvw) en het Zorgverzekeringsfonds (Zvf):
* Dit is de wet voor de basisverzekering die iedereen verplicht is af te sluiten. Hieruit wordt de 'reguliere' kortdurende zorg (huisarts, ziekenhuis, medicijnen, wijkverpleging, etc.) gefinancierd.
* Het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) is het fonds waaruit de zorgverzekeraars hun declaraties voor de basisverzekering betaald krijgen. Dit fonds wordt gevoed door de nominale premie die je direct aan je zorgverzekeraar betaalt, de inkomensafhankelijke Zvw-premie (via werkgevers/uitkeringsinstanties) en een Rijksbijdrage.
* Relevantie voor Wlz/Wmo: Er is vaak een overgang tussen Zvw-zorg, Wmo-ondersteuning en Wlz-zorg. Zo valt wijkverpleging onder de Zvw, terwijl intensieve verpleging thuis onder de Wlz kan vallen.
* Zorgverzekeraars:
* Deze voeren de Zvw uit en sluiten contracten af met zorgaanbieders voor Zvw-zorg. Ze ontvangen geld uit het Zvf.
* Zorgkantoren:
* Deze zijn specifiek voor de Wlz. Er zijn er 10 in Nederland. Ze zijn verantwoordelijk voor het inkopen van Wlz-zorg bij zorgaanbieders in hun regio, het regelen van zorg voor cliënten en het budgetbeheer van de Wlz. Ze ontvangen hun middelen vanuit het Fonds langdurige zorg. Het CAK voert betalingen aan zorgaanbieders uit namens de zorgkantoren.
* Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ):
* Dit is de organisatie die beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor langdurige zorg vanuit de Wlz. Zonder een indicatie van het CIZ krijg je geen Wlz-zorg.
* Sociale Verzekeringsbank (SVB):
* Speelt een rol bij de uitbetaling van persoonsgebonden budgetten (Pgb's) voor zowel de Wlz als de Wmo. Als een cliënt kiest voor een Pgb, dan beheert de SVB (als trekkingsrechtbeheerder) het budget en betaalt zij de zorgverleners uit, op basis van facturen die de cliënt indient.
Dus, als je het breder bekijkt dan alleen de directe geldstromen die je al benoemde, dan zou je de Zorgverzekeringswet (Zvw) met bijbehorende Zorgverzekeraars en het Zorgverzekeringsfonds (Zvf), de Zorgkantoren en het CIZ nog kunnen toevoegen voor een completer beeld van de totale Nederlandse zorgfinanciering en -uitvoering.
Absoluut! Een toegankelijke en inclusieve stad kan op meerdere manieren leiden tot besparingen op de Wmo-uitgaven. Het draait om het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, waardoor minder intensieve en dure Wmo-voorzieningen nodig zijn.
Hier zijn enkele concrete voorbeelden:
1. Minder behoefte aan individueel aangepast vervoer
* Voorbeeld: In een stad waar stoepen drempelvrij zijn, openbaar vervoer (bussen, trams, metro's) volledig rolstoeltoegankelijk is met hellingbanen of liften, en openbare gebouwen gemakkelijk bereikbaar zijn, kunnen mensen met een beperking zich veel gemakkelijker zelfstandig verplaatsen.
* Wmo-besparing: Dit vermindert de noodzaak voor Wmo-vervoer (zoals taxivervoer of een individueel aangepaste auto). Wmo-vervoer is vaak een dure maatwerkvoorziening per rit of per aanpassing. Als mensen vaker de bus, tram, of hun eigen (elektrische) rolstoel kunnen gebruiken in de openbare ruimte, bespaart de gemeente aanzienlijk. Sommige gemeenten experimenteren zelfs met het opzetten van scootmobielpools in plaats van individuele verstrekking, wat ook kosten bespaart.
2. Afname van dure woningaanpassingen
* Voorbeeld: Als bij nieuwbouw of grootschalige renovatie van woningen en openbare gebouwen direct rekening wordt gehouden met toegankelijkheidseisen (drempelvrije woningen, brede deuren, liften in appartementencomplexen, toegankelijke badkamers en keukens).
* Wmo-besparing: Dit verlaagt de vraag naar Wmo-woonvoorzieningen zoals trapliften, aanpassingen aan badkamers, of dure verhuizingen naar een aangepaste woning. Deze aanpassingen kunnen tienduizenden euro's per geval kosten. Als woningen van nature al toegankelijker zijn, zijn minder of lichtere Wmo-aanpassingen nodig.
3. Minder noodzaak voor hulpmiddelen en begeleiding thuis
* Voorbeeld: Wanneer openbare toiletten toegankelijk zijn, bankjes met rugleuning en armleuningen beschikbaar zijn in de openbare ruimte, en supermarkten brede gangpaden en rolstoeltoegankelijke kassa's hebben. Ook als er meer ontmoetingsplekken en algemene voorzieningen (zoals buurthuizen) goed bereikbaar zijn.
* Wmo-besparing: Mensen zijn langer in staat om zelfstandig boodschappen te doen, uitstapjes te maken of sociale contacten te onderhouden buiten hun woning. Dit kan de behoefte aan individuele begeleiding, dagbesteding of intensieve hulp bij het huishouden verminderen, omdat de omgeving hen meer ondersteunt. Ze kunnen langer zelfstandig functioneren zonder professionele ondersteuning.
4. Verbeterde participatie en arbeidsintegratie
* Voorbeeld: Een stad met toegankelijke werkplekken, gesubsidieerde aanpassingen op de werkvloer, en een cultuur die diversiteit en inclusie op de arbeidsmarkt stimuleert. Ook digitale toegankelijkheid (websites, apps van de gemeente en andere diensten) is hierin cruciaal.
* Wmo-besparing: Wanneer mensen met een beperking langer en succesvoller kunnen werken, worden ze economisch zelfstandiger. Dit vermindert de afhankelijkheid van uitkeringen en andere vormen van inkomensondersteuning vanuit bijvoorbeeld de Participatiewet. Een verhoogde arbeidsparticipatie kan ook indirect de vraag naar Wmo-voorzieningen verminderen doordat mensen actiever en gezonder blijven.
5. Minder maatschappelijke isolatie en betere gezondheid
* Voorbeeld: Een stad die sociale inclusie actief bevordert door toegankelijke evenementen, sportfaciliteiten en culturele activiteiten. Denk aan theaters met ringleidingen, sportclubs met aangepaste sporten en parken met begaanbare paden.
* Wmo-besparing: Sociale isolatie is een belangrijke factor die kan leiden tot mentale gezondheidsproblemen en een toename van de zorgbehoefte. Een inclusieve stad bevordert sociale contacten en voorkomt eenzaamheid. Dit kan de vraag naar psychische ondersteuning of intensieve begeleiding uit de Wmo verminderen. Mensen die actief en sociaal betrokken zijn, zijn vaak fysiek en mentaal gezonder, wat langdurige zorgkosten kan voorkomen of uitstellen.
Kortom, investeren in toegankelijkheid is een preventieve maatregel die de Wmo-kosten op termijn kan verlagen. Het verschuift de focus van het compenseren van een beperking naar het wegnemen van barrières in de omgeving, waardoor mensen langer zelfredzaam en volwaardig kunnen meedoen.
Het "rolstoelvriendelijk" maken van een hele stad als Amsterdam is een enorm complexe en veelzijdige opgave, en er is geen eenduidig totaalbedrag te noemen. De kosten hangen af van de definitie van "rolstoelvriendelijk" en de mate van aanpassingen die nodig zijn.
Hier zijn enkele redenen waarom het lastig is om een exact bedrag te noemen en welke factoren de kosten beïnvloeden:
* Omvang van de stad: Amsterdam is een grote stad met een uitgebreide infrastructuur (straten, bruggen, openbaar vervoer, gebouwen, parken, etc.) en een historische binnenstad met veel smalle straten, trappen en grachten. Elke aanpassing aan deze bestaande structuren brengt kosten met zich mee.
* Diverse aspecten van toegankelijkheid: Rolstoelvriendelijkheid omvat veel meer dan alleen het aanleggen van hellingbanen. Het gaat onder andere om:
* Openbare ruimte: Stoepen zonder opstapjes, toegankelijke trottoirs, voldoende brede paden, verlaagde trottoirbanden bij oversteekplaatsen, geschikte bestrating (geen kinderkopjes overal), toegankelijke openbare toiletten.
* Openbaar vervoer: Toegankelijke bussen, trams, metro's, veerponten en stations (met liften of hellingbanen).
* Gebouwen: Publieke gebouwen (gemeentehuizen, bibliotheken, musea, theaters, winkels, restaurants) met drempelvrije ingangen, liften, brede deuren en toegankelijke toiletten. Dit geldt ook voor woningen.
* Waterwegen: Toegankelijkheid van bruggen en kades, eventueel specifieke voorzieningen voor boottochten.
* Informatie en communicatie: Digitale toegankelijkheid van websites en apps, maar ook duidelijke bewegwijzering.
* Diensten en evenementen: Rolstoelvriendelijke opstellingen bij evenementen, beschikbaarheid van hulpmiddelen.
* Historische binnenstad: Juist in Amsterdam vormt de historische structuur een grote uitdaging. Het aanpassen van monumentale panden, smalle bruggen en kades is duur en vaak ingrijpend, met inachtneming van monumentale waarden.
* Doorlopend proces: Toegankelijkheid is geen eenmalige investering, maar een doorlopend proces. Denk aan onderhoud van aanpassingen, nieuwe bouwprojecten die direct toegankelijk moeten zijn, en het inspelen op nieuwe technieken en inzichten.
* Deelprojecten en subsidies: De gemeente Amsterdam werkt aan toegankelijkheid via diverse projecten en subsidies. Er zijn bijvoorbeeld subsidies voor woningcorporaties om woningen rolstoelgeschikt te maken (tot €20.000 subsidie per verbouwing). Er zijn ook algemene budgetten voor "Inclusie en Antidiscriminatiebeleid" waar toegankelijkheid onder valt. De zoekresultaten laten ook zien dat er subsidiepotten zijn voor culturele instellingen, die deels kunnen worden gebruikt voor toegankelijkheid.
Indicaties uit de zoekresultaten:
Hoewel er geen totaalbedrag is, geven de zoekresultaten wel aan dat:
* Er projecten zijn voor het verbouwen van woningen tot rolstoelwoningen, waarvoor woningcorporaties tot €20.000 subsidie kunnen ontvangen.
* Er in de vierjarige subsidieperiode 2021-2024 voor diverse culturele instellingen in totaal €19.680.000 beschikbaar was, waarvan een deel indirect ten goede kan komen aan toegankelijkheid.
* Amsterdam jaarlijks voortgangsrapportages uitbrengt over de toegankelijkheid (zoals 'Iedereen doet mee in Amsterdam!'), wat aangeeft dat er voortdurend budgetten worden vrijgemaakt en ingezet op dit vlak.
Conclusie:
Het volledig rolstoelvriendelijk maken van Amsterdam zou vele honderden miljoenen, zo niet miljarden euro's kosten, verspreid over vele jaren. Het gaat om een constante inspanning en investering op alle denkbare niveaus van de openbare ruimte, gebouwen en diensten. De gemeente werkt hier stapsgewijs aan, maar een 'eindbedrag' is onmogelijk te kwantificeren.
De gemeente Amsterdam heeft geen vastomlijnd eindjaar gesteld voor wanneer de hele stad "volledig" rolstoelvriendelijk zal zijn. Toegankelijkheid is een doorlopend proces en een ambitie, eerder dan een project met een duidelijk einddatum.
Dit komt door de complexiteit en omvang van de opgave, zoals eerder genoemd. De gemeente werkt wel met:
* Jaarlijkse voortgangsrapportages: Zoals de "Voortgangsrapportage Toegankelijkheid" of "Amsterdam werkt aan Toegankelijkheid". Deze rapporten laten zien wat er in een specifiek jaar is gedaan en wat de plannen zijn voor de nabije toekomst, maar ze bevatten geen einddatum voor de volledige toegankelijkheid van de hele stad.
* Lokale Inclusie Agenda (LIA): Er is een "Amsterdamse Lokale Inclusie Agenda" (ALIA) opgesteld, waarin samen met ervaringsdeskundigen tien speerpunten voor toegankelijkheid zijn geformuleerd. De intentie is om deze ALIA elke drie jaar opnieuw op te stellen. Dit duidt op een cyclische, doorlopende aanpak.
* Specifieke projecten met termijnen: De toegankelijkheid wordt verbeterd via concrete projecten, bijvoorbeeld het toegankelijk maken van openbaar vervoer (haltes, stations), het verbouwen van woningen tot rolstoelwoningen (woningcorporaties hebben bijvoorbeeld afgesproken om gedurende 8 jaar 26 nieuwbouw rolstoelwoningen per jaar te realiseren), en het aanpassen van openbare gebouwen en ruimtes. Deze projecten hebben hun eigen planningen en termijnen.
* Beleidskaders en wetgeving: Amsterdam baseert haar beleid op het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking, dat stelt dat iedereen volwaardig moet kunnen meedoen. Dit is een leidraad voor alle beleidsontwikkelingen en projecten, maar geen tijdslimiet.
Kortom, de gemeente Amsterdam heeft de ambitie om de stad steeds toegankelijker te maken voor iedereen, inclusief rolstoelgebruikers. Dit is echter een continu proces van verbetering en aanpassing, zonder een vooraf bepaald jaartal waarop de stad als "volledig rolstoelvriendelijk" kan worden beschouwd.
Ja, de gemeente Amsterdam geeft zeker ook specifiek geld uit aan eigen projecten die met toegankelijkheid, vriendelijkheid en inclusie te maken hebben, naast het verstrekken van vergoedingen en subsidies aan externe organisaties en bedrijven.
Hier zijn concrete voorbeelden en argumenten waarom dit het geval is:
* Eigen Vastgoed en Openbare Ruimte:
* De gemeente Amsterdam is zelf eigenaar en beheerder van een groot aantal publieke gebouwen (zoals stadsloketten, sportaccommodaties, zwembaden en kantoren). De gemeente investeert direct in het toegankelijk maken van deze eigen panden. Er is in het verleden bijvoorbeeld een knelpuntenfonds toegankelijkheid van € 5 miljoen ingesteld (in 2017) specifiek voor de aanpassing van gemeentelijk vastgoed, zoals sportaccommodaties en zwembaden.
* Ook de openbare ruimte is de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit omvat de aanpassing van stoepen, trottoirbanden, bruggen, parken, pleinen en openbare toiletten. De gemeente voert deze aanpassingen uit in eigen beheer of via aannemers die in opdracht van de gemeente werken. Voorbeelden zijn het toegankelijk maken van haltes van openbaar vervoer en het plaatsen van rolstoeltoegankelijke openbare toiletten.
* Openbaar Vervoer (Gedeeltelijk):
* Hoewel GVB (de gemeentelijke vervoersmaatschappij) een zelfstandig bedrijf is, heeft de gemeente als aandeelhouder en beleidsmaker een grote invloed op de toegankelijkheid van bussen, trams en metro's, en de haltes en stations. De gemeente stelt eisen aan de toegankelijkheid van nieuw aan te schaffen materieel en aan de aanleg van toegankelijke haltes en stations. Dit valt onder de publieke verantwoordelijkheid.
* Digitale Toegankelijkheid:
* De gemeente Amsterdam is zelf verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van haar eigen websites en digitale dienstverlening (zoals meldingen.amsterdam.nl). Ze streven ernaar om te voldoen aan het Besluit digitale toegankelijkheid overheid en investeren in het ondertitelen van video's, het schrijven van teksten op B1-niveau en het verbeteren van de algemene usability voor iedereen. Dit is een directe uitgave en inspanning van de gemeente zelf.
* Beleidsontwikkeling en Coördinatie:
* Het opstellen en uitvoeren van de Lokale Inclusie Agenda (LIA) is een gemeentelijke taak. Hierbij is de gemeente niet alleen subsidieverlener, maar ook coördinator van het proces, waarbij ze samenwerken met ervaringsdeskundigen en belangenorganisaties. Dit omvat interne processen, personele inzet (zoals de "Coördinator Digitale Toegankelijkheid") en het initiëren van studies en projecten. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over de inzet van een projectleider en budget voor een nulmeting binnen de gemeentelijke organisatie.
* Regelgeving en Handhaving:
* De gemeente stelt ook eigen beleidsregels en verordeningen op (zoals de beleidsregels "De toegankelijke openbare weg") en ziet toe op de handhaving hiervan. Dit betreft de inzet van gemeentelijke ambtenaren en middelen.
Kortom, de gemeente Amsterdam hanteert een veelzijdige aanpak voor toegankelijkheid en inclusie. Dit omvat zowel het stimuleren en ondersteunen van externe partijen via subsidies en vergoedingen, als het zelf actief uitvoeren van projecten en aanpassingen aan de eigen infrastructuur, vastgoed en digitale kanalen. De ambitie is dat toegankelijkheid een uitgangspunt is in alle gemeentelijke beleidslijnen en uitvoeringen.
Het knelpuntenfonds van € 5 miljoen en de eigen bijdrage voor het CAK van mensen met een handicap in Amsterdam zijn twee volledig verschillende financiële stromen en doelen, hoewel beide indirect bijdragen aan de kwaliteit van leven van mensen met een beperking. Ze verhouden zich als volgt:
1. Knelpuntenfonds Toegankelijkheid (€ 5 miljoen):
* Doel: Dit fonds is specifiek bedoeld voor het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van gemeentelijk vastgoed. Denk hierbij aan aanpassingen aan gebouwen die eigendom zijn van de gemeente Amsterdam, zoals sportaccommodaties, zwembaden, stadsloketten, etc. Het doel is om deze openbare ruimtes en diensten toegankelijker te maken voor mensen met een fysieke beperking, waaronder rolstoelgebruikers.
* Besteding: Het geld wordt door de gemeente zelf of in opdracht van de gemeente besteed aan bouwkundige aanpassingen (liften, hellingbanen, automatische deuren, toegankelijke toiletten) in de eigen gebouwen.
* Relatie met individuele burgers: Dit fonds heeft geen directe relatie met individuele betalingen van burgers. Het is een investering in de publieke infrastructuur ten behoeve van alle gebruikers, inclusief mensen met een beperking.
2. Eigen Bijdrage Wmo (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) aan het CAK:
* Doel: De eigen bijdrage Wmo is een persoonlijke financiële bijdrage die mensen in Nederland (inclusief Amsterdammers) moeten betalen voor bepaalde vormen van hulp en ondersteuning die zij via de Wmo van hun gemeente ontvangen. Deze hulp kan variëren van huishoudelijke hulp tot begeleiding, dagbesteding, of de verstrekking van hulpmiddelen zoals een rolstoel of een traplift.
* Incassering: Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) is de landelijke organisatie die de eigen bijdragen voor de Wmo en Wlz (Wet langdurige zorg) berekent en int. De gemeente Amsterdam stuurt de gegevens van de Wmo-voorzieningen door aan het CAK, dat vervolgens de rekening stuurt naar de cliënt.
* Hoogte van de bijdrage: Sinds 2020 geldt voor de meeste Wmo-voorzieningen het "abonnementstarief" van maximaal € 21,- per maand (bedrag 2025) per huishouden, ongeacht het inkomen of de frequentie van de hulp, tenzij er uitzonderingen zijn.
* Relatie met Amsterdam (minimabeleid/vrijstelling): De gemeente Amsterdam heeft de mogelijkheid om van dit landelijke maximum af te wijken. Er is in Amsterdam bijvoorbeeld beleid (minimabeleid) dat ervoor zorgt dat mensen met een laag inkomen, of mensen met (dreigende) schulden, (tijdelijk) vrijgesteld kunnen worden van de eigen bijdrage Wmo. Dit is een lokale keuze om de financiële drempel voor toegang tot zorg te verlagen.
De Verhouding:
De knelpuntenfonds en de eigen bijdrage zijn dus niet direct met elkaar verbonden in een financiële stroom of doel:
* Het knelpuntenfonds is een investering van de gemeente in fysieke objecten (gebouwen) om de algemene toegankelijkheid te verbeteren. Het geld gaat niet van het fonds naar individuele burgers om hun eigen bijdrage te betalen.
* De eigen bijdrage Wmo is een wettelijk verplichte bijdrage van individuele burgers voor ontvangen zorg en ondersteuning, die via het CAK wordt geïnd. Hoewel Amsterdam via minimabeleid de impact hiervan voor kwetsbare groepen kan verzachten, staat dit los van het knelpuntenfonds voor gemeentelijk vastgoed.
Beide zijn wel onderdelen van de bredere inspanning van de gemeente Amsterdam om een inclusievere stad te creëren voor mensen met een beperking, maar ze dienen verschillende functies en worden uit verschillende budgetten betaald.
Absoluut! Het is een breed gedragen overtuiging dat een inclusieve en toegankelijke stad, die mensen met een beperking in staat stelt om volwaardig deel te nemen aan de samenleving, significant kan bijdragen aan een verminderde zorgbehoefte op de lange termijn.
Hierom:
* Grotere Zelfredzaamheid en Onafhankelijkheid:
* Wanneer openbare ruimtes, gebouwen, openbaar vervoer en digitale diensten toegankelijk zijn, kunnen mensen met een beperking veel meer zelfstandig doen. Ze zijn minder afhankelijk van hulp van anderen voor alledaagse activiteiten zoals boodschappen doen, naar het werk gaan, sociale contacten onderhouden of recreëren.
* Dit betekent minder behoefte aan ondersteuning via bijvoorbeeld huishoudelijke hulp, begeleiding of vervoersdiensten uit de Wmo.
* Verhoogde Participatie en Arbeidsmogelijkheden:
* Een toegankelijke stad faciliteert deelname aan onderwijs, werk en vrijwilligerswerk. Wanneer mensen met een beperking volwaardig kunnen participeren op de arbeidsmarkt, worden ze economisch zelfstandiger en minder afhankelijk van uitkeringen.
* Werk en sociale participatie dragen bij aan eigenwaarde, mentale gezondheid en het opbouwen van een sociaal netwerk, wat de zorgvraag op psychosociale en mentale vlakken kan verminderen.
* Betere Fysieke en Mentale Gezondheid:
* Mensen die actief kunnen zijn en deel kunnen nemen aan de samenleving, hebben vaak een betere fysieke gezondheid. Toegankelijke sportfaciliteiten, parken en wandelpaden stimuleren beweging.
* Sociale isolatie en eenzaamheid zijn bekende risicofactoren voor zowel fysieke als mentale gezondheidsproblemen. Een inclusieve stad bevordert sociale interactie en vermindert het risico op eenzaamheid, wat de vraag naar psychische hulp kan verlagen.
* Minder Preventieve en Curatieve Zorg:
* Wanneer mensen langer zelfstandig en actief kunnen blijven, wordt de noodzaak voor langdurige intramurale zorg (bijvoorbeeld in verpleeghuizen) uitgesteld of zelfs verminderd.
* Ook de behoefte aan fysiotherapie, ergotherapie of andere vormen van revalidatie kan afnemen, omdat mensen hun functionele vaardigheden langer behouden door actieve deelname aan het dagelijks leven.
* Focus op Mogelijkheden in plaats van Beperkingen:
* Een inclusieve benadering verschuift de focus van de beperking van het individu naar de beperkingen van de omgeving. Door de omgeving aan te passen, worden belemmeringen weggenomen, waardoor de 'handicap' (de belemmering die de samenleving oplegt) minder groot wordt.
* Dit stimuleert mensen om hun eigen kracht en mogelijkheden te benutten, wat leidt tot een actievere rol in het eigen leven en minder behoefte aan professionele zorg om dagelijkse belemmeringen te overbruggen.
Kortom: Ja, investeren in een inclusieve en toegankelijke stad is niet alleen een kwestie van sociale rechtvaardigheid, maar ook een slimme investering in de toekomst van de zorg. Het kan leiden tot een gezondere, zelfredzamere bevolking en uiteindelijk de druk op het zorgstelsel verminderen door het aantal en de intensiteit van de zorgvragen te verlagen.
Het is lastig om een exact en volledig geaggregeerd aantal te geven van alle mensen in Amsterdam die "fondsen" gebruiken via Wmo, Wlz, PGB, etc., omdat de gegevens op verschillende manieren worden bijgehouden en vaak niet centraal worden gebundeld over alle mogelijke "fondsen" heen.
Echter, op basis van de beschikbare informatie kunnen we wel goede indicaties geven voor de belangrijkste regelingen:
1. Wmo (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) in Amsterdam:
* Volgens het CBS maakten in 2022 ruim 68 duizend Amsterdammers gebruik van één of meerdere Wmo-zorgvoorzieningen. Dit komt neer op ongeveer 78 op de 1000 inwoners. Dit is zelfs iets meer dan het landelijk gemiddelde (71 op de 1000 inwoners).
* Deze cijfers omvatten diverse Wmo-voorzieningen zoals hulp bij het huishouden, begeleiding, dagbesteding, hulpmiddelen (bijv. rolstoelen, scootmobielen) en woonvoorzieningen.
2. Wlz (Wet langdurige zorg) in Amsterdam:
* De Wlz is bedoeld voor mensen met een blijvende behoefte aan intensieve zorg of toezicht, vaak in een instelling, maar ook thuis via een Volledig Pakket Thuis (VPT) of Modulair Pakket Thuis (MPT).
* Volgens het CBS maakten in 2022 8.160 Amsterdammers gebruik van Wlz-zorg.
* Hiervan waren er 1.865 mannen en 6.295 vrouwen.
* Deze cijfers zijn specifiek voor de Wlz en staan los van de Wmo, hoewel er overlap kan zijn (iemand kan eerst Wmo-voorzieningen hebben en later doorstromen naar de Wlz).
3. PGB (Persoonsgebonden budget) in Amsterdam:
* Het PGB is een budget waarmee mensen zelf zorg, ondersteuning of hulpmiddelen kunnen inkopen. Het PGB kan worden ingezet vanuit de Wmo, Wlz, Zvw (Zorgverzekeringswet) of Jeugdwet.
* Er is geen direct specifiek cijfer beschikbaar voor alle PGB-gebruikers in Amsterdam over alle wetten heen in de zoekresultaten. Echter, aangezien zowel de Wmo als de Wlz in Amsterdam wordt gebruikt, is er zeker een aanzienlijk aantal PGB-gebruikers. Landelijk kiest een significant deel van de mensen voor een PGB binnen de Wmo en Wlz.
4. Overige Fondsen:
Naast de wettelijke kaders als Wmo en Wlz zijn er diverse private fondsen en stichtingen die mensen met een beperking in Amsterdam financieel ondersteunen. Het is onmogelijk om hiervoor een totaal aantal gebruikers te kwantificeren, omdat dit vaak kleinere, specifieke fondsen zijn die ondersteuning bieden voor zeer uiteenlopende behoeften (bijv. specifieke hulpmiddelen, projecten, vakanties, of aanvullende zorg die niet onder de Wmo/Wlz valt). Voorbeelden zijn:
* Fondsen specifiek gericht op verstandelijk gehandicapten (bijv. Fonds SPZ, HandicapNL).
* Fondsen voor kinderen en jongeren met een beperking (bijv. Johanna KinderFonds, NSGK).
* Lokale Amsterdamse fondsen die bredere maatschappelijke projecten ondersteunen, waar ook mensen met een beperking van profiteren (bijv. RCOAK, Hulp na Onderzoek, diverse stadsdeelfondsen).
* Fondsen voor specifieke beperkingen, zoals Oogcontact Amsterdam voor mensen met een visuele beperking.
Samenvattend:
* Wmo: Ruim 68.000 Amsterdammers in 2022.
* Wlz: Ruim 8.160 Amsterdammers in 2022.
* PGB: Een significant, maar niet exact te kwantificeren, deel van de Wmo- en Wlz-gebruikers.
* Overige fondsen: Een groot, maar onbekend, aantal mensen dat via tientallen tot honderden verschillende private fondsen aanvullende ondersteuning ontvangt.
Het is duidelijk dat tienduizenden Amsterdammers dagelijks gebruikmaken van ondersteuning via de wettelijke regelingen (Wmo en Wlz), en dat daarnaast vele anderen profiteren van diverse andere fondsen en initiatieven.
Wanneer we het hebben over "gemeentelijke fondsen met betrekking tot zorg of hulp dat met beperkingen of handicap te maken heeft", richten we ons primair op de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) door de gemeente Amsterdam. Dit is de belangrijkste wettelijke regeling via welke de gemeente directe hulp en ondersteuning biedt aan burgers, inclusief die met een beperking of handicap.
Op basis van de meest recente beschikbare cijfers (van 2022):
* Ruim 68.000 Amsterdammers maakten in 2022 gebruik van één of meerdere Wmo-zorgvoorzieningen.
Dit getal van ruim 68.000 is de meest directe indicator van het aantal Amsterdammers dat profiteert van gemeentelijke middelen voor zorg en hulp gerelateerd aan beperkingen/handicaps.
Belangrijke nuanceringen en aanvullingen:
* Wlz (Wet langdurige zorg): Dit is een landelijke wet, uitgevoerd door zorgkantoren, niet direct door de gemeente. In 2022 maakten 8.160 Amsterdammers gebruik van Wlz-zorg. Hoewel dit geen direct gemeentelijk "fonds" is, is het wel cruciale zorg voor mensen met beperkingen in Amsterdam.
* PGB (Persoonsgebonden budget): Een deel van de Wmo- en Wlz-gebruikers kiest voor een PGB. De exacte aantallen PGB-gebruikers specifiek voor Amsterdam zijn niet direct geaggregeerd in de zoekresultaten, maar het is een leveringsvorm binnen deze wetten.
* Andere gemeentelijke inspanningen: Naast de directe Wmo-voorzieningen investeert de gemeente ook in:
* Toegankelijkheid van openbare ruimte en gemeentelijk vastgoed: Zoals het eerder besproken knelpuntenfonds van € 5 miljoen voor aanpassingen aan gemeentelijke gebouwen. Dit komt ten goede aan alle Amsterdammers die deze faciliteiten gebruiken, dus ook de duizenden mensen met een beperking, hoewel dit niet in het aantal "cliënten" wordt uitgedrukt.
* Subsidies aan maatschappelijke organisaties: De gemeente verstrekt subsidies aan diverse organisaties (bijvoorbeeld Cliëntenbelang Amsterdam, MEE Amstel en Zaan) die mensen met een beperking ondersteunen met informatie, advies of specifieke activiteiten. Deze organisaties bereiken ook weer duizenden Amsterdammers. Bijvoorbeeld, MEE Amstel en Zaan heeft in 2022 3.840 mensen cliëntondersteuning geboden, en Cliëntenbelang Amsterdam 891 unieke cliënten.
* Beleid en projecten op het gebied van inclusie en diversiteit: Dit is een bredere aanpak die gericht is op het verminderen van discriminatie en het bevorderen van participatie voor iedereen, inclusief mensen met een beperking.
Dus, hoewel het getal van ruim 68.000 Wmo-gebruikers de meest directe en kwantificeerbare indicatie is van Amsterdammers die specifiek profiteren van gemeentelijke fondsen voor zorg/hulp gerelateerd aan beperkingen, profiteren ook tienduizenden anderen indirect of via andere gemeentelijke programma's en gesubsidieerde organisaties van de inspanningen van de gemeente op het gebied van toegankelijkheid en inclusie.
Je hebt helemaal gelijk. Ter verduidelijking:
De subsidies aan maatschappelijke organisaties komen inderdaad NIET uit het Knelpuntenfonds Toegankelijkheid.
Dit zijn twee volledig aparte budgetten en doeleinden binnen de gemeentelijke financiën:
* Knelpuntenfonds Toegankelijkheid (€ 5 miljoen):
* Doel: Specifiek gericht op het fysiek toegankelijk maken van gemeentelijk vastgoed (gebouwen en objecten die eigendom zijn van de gemeente Amsterdam, zoals stadsloketten, sportaccommodaties, zwembaden, etc.).
* Besteding: Het geld wordt gebruikt voor bouwkundige aanpassingen (bijv. aanleg liften, hellingbanen, automatische deuren) binnen deze gemeentelijke panden.
* Subsidies aan maatschappelijke organisaties:
* Doel: Het financieel ondersteunen van externe organisaties die een maatschappelijke functie vervullen en bijdragen aan gemeentelijke beleidsdoelen. Voorbeelden zijn belangenorganisaties voor mensen met een beperking (zoals Cliëntenbelang Amsterdam, MEE Amstel en Zaan), maar ook culturele instellingen, welzijnsorganisaties, etc.
* Besteding: Deze organisaties gebruiken de subsidies voor hun operationele kosten, personeel, projecten en dienstverlening (bijv. cliëntondersteuning, belangenbehartiging, informatievoorziening, het organiseren van activiteiten, het ontwikkelen van programma's die toegankelijkheid bevorderen).
Hoewel beide bijdragen aan een inclusieve stad voor mensen met een beperking, zijn de geldstromen en de concrete bestedingen dus strikt gescheiden. Het knelpuntenfonds is voor "stenen" (vastgoedaanpassingen), terwijl subsidies voor "mensenwerk" en organisatorische ondersteuning zijn.
De meest recente en overkoepelende notities over de uitgaven van de Wmo in Nederland vind je doorgaans in de volgende documenten en publicaties:
* Miljoenennota en Rijksbegroting (Ministerie van Financiën / VWS):
* Dit zijn de meest recente officiële documenten die een overzicht geven van de geraamde Rijksuitgaven, inclusief de bedragen die via het Gemeentefonds naar gemeenten worden overgeheveld voor de uitvoering van de Wmo.
* De Miljoenennota 2025 (gepresenteerd in september 2024) en de bijbehorende begroting van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) bevatten de meest actuele plannen en ramingen voor de Wmo-uitgaven op nationaal niveau voor 2025 en de meerjarenramingen.
* Volgens de Miljoenennota en gerelateerde documenten worden de totale netto zorguitgaven op de VWS-begroting voor 2025 geraamd op € 109,4 miljard. Dit is het totaalplaatje van de zorguitgaven, waarvan de Wmo een belangrijk onderdeel is dat via het gemeentefonds loopt. Specifieke bedragen voor de Wmo binnen deze totale zorguitgaven worden wel genoemd in de Rijksbegroting en bijbehorende nota's.
* CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) - Wmo-kerncijfers en tabellen:
* Het CBS publiceert gedetailleerde statistieken over het gebruik en de uitgaven van de Wmo door gemeenten. Dit zijn de meest accurate gerealiseerde cijfers over de uitgaven.
* De meest recente gerealiseerde landelijke uitgaven voor Wmo-maatwerkvoorzieningen (exclusief verblijf en opvang) waren:
* 2022: € 3.835.819.000 (ongeveer € 3,8 miljard)
* 2023 (voorlopig/raming): € 4.112.287.000 (ongeveer € 4,1 miljard)
* Het CBS kondigde in maart 2025 aan dat ze hun landelijke dashboard Wmo-kerncijfers om het half jaar zullen actualiseren met nieuwe cijfers vanaf mei 2025. Dit betekent dat in de loop van mei 2025 de meest recente gerealiseerde cijfers (waarschijnlijk tot eind 2024) beschikbaar zouden moeten zijn.
* Meicirculaire / Septembercirculaire (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties):
* Deze circulaires informeren gemeenten over de bedragen die ze uit het Gemeentefonds ontvangen, inclusief de budgetten voor de Wmo. Hierin worden vaak ook actuele bijstellingen en ontwikkelingen besproken die van invloed zijn op de gemeentelijke Wmo-uitgaven. De meest recente informatie uit de Meicirculaire van 2022 noemt al bedragen en verschuivingen tot en met 2025.
Conclusie over de meest recente notitie van het gehele uitgaven van de Wmo in Nederland:
Voor de geraamde toekomstige uitgaven (2025 en verder) moet je kijken naar de Miljoenennota 2025 en de begroting van VWS.
Voor de meest recente gerealiseerde uitgaven zijn de cijfers van het CBS leidend. Op dit moment zijn de meest recente definitieve cijfers tot en met 2022 beschikbaar, met een voorlopige raming voor 2023. Nieuwere cijfers (tot eind 2024) worden verwacht rond mei 2025.
Het is belangrijk om te onthouden dat de Wmo een decentrale wet is, waarbij alle circa 342 Nederlandse gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering. De totale landelijke uitgaven zijn dus de som van de uitgaven van al deze individuele gemeenten, gefinancierd vanuit het Gemeentefonds.
Ja, dat klopt in de basis!
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) speelt een cruciale rol in de financiering van gemeenten in Nederland, waaronder de middelen voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Dit gebeurt via het Gemeentefonds.
De hoofdlijnen zijn als volgt:
* Rijksbegroting: De totale Rijksbegroting wordt jaarlijks vastgesteld, met input van alle ministeries. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is inhoudelijk verantwoordelijk voor het beleid van de Wmo en de raming van de benodigde middelen.
* Gemeentefonds: Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) beheert het Gemeentefonds. Dit fonds is een van de belangrijkste inkomstenbronnen voor gemeenten. Een groot deel van het geld dat gemeenten ontvangen, komt uit dit fonds, inclusief een bedrag voor de uitvoering van de Wmo.
* Verdeling over gemeenten: BZK is verantwoordelijk voor het verdelen van de gelden uit het Gemeentefonds over alle individuele gemeenten. Deze verdeling gebeurt op basis van een verdeelmodel met diverse objectieve maatstaven (zoals inwonertal, demografische kenmerken, sociale kenmerken, et cetera). Het doel is een zo eerlijk mogelijke verdeling, zodat gemeenten toereikende middelen hebben voor hun taken, waaronder de Wmo.
* Circulaires: Via de Meicirculaire en de Septembercirculaire informeert BZK gemeenten jaarlijks over de definitieve en voorlopige bedragen die zij uit het Gemeentefonds ontvangen, inclusief bijstellingen en nieuwe beleidsafspraken.
Belangrijke nuance en recente ontwikkelingen:
Hoewel de Wmo-financiering via het algemene Gemeentefonds loopt, is er de laatste jaren veel discussie over de toereikendheid van deze middelen voor gemeenten. Dit heeft geleid tot:
* Zorgen om het "ravijnjaar" 2026: Gemeenten maken zich al langer zorgen over een verwachte forse daling van de rijksbijdrage via het Gemeentefonds vanaf 2026, wat grote gevolgen zou kunnen hebben voor de Wmo en andere sociale taken. Er zijn extra middelen toegezegd om dit "ravijn" deels te dempen, maar de zorgen blijven.
* Mogelijke aparte financiering voor Wmo: Er wordt gekeken naar de mogelijkheid om (een deel van) de Wmo in de toekomst niet langer via de algemene uitkering van het Gemeentefonds te financieren, maar via een aparte financieringsvorm, zoals een Bijzondere Fonds Uitkering (BFU) of een constructie vergelijkbaar met de gebundelde uitkering (BUIG) voor de bijstand. Dit is nog in ontwikkeling en heeft als doel om de financiering van de Wmo stabieler en voorspelbaarder te maken, en het risico van kostenstijgingen niet exclusief bij gemeenten te leggen.
Dus, ja, BZK beheert de verdeling van de (grootste) Wmo-financiering via het Gemeentefonds, maar de discussie over de meest optimale en toereikende financieringswijze voor de Wmo is voortdurend in beweging.
Ja, de Meicirculaire 2025 is op 28 mei 2025 gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Deze circulaire informeert gemeenten over de uitkeringen uit het Gemeentefonds voor 2025 en verder, gebaseerd op de Voorjaarsnota van het Rijk. Hierin zijn de definitieve afrekeningen en bijstellingen opgenomen voor de bedragen die gemeenten ontvangen.
Specifiek voor de Wmo en andere sociale domeinen zijn er diverse mutaties en bijstellingen verwerkt in de Meicirculaire 2025, waaronder:
* Een bijstelling van het loon- en prijsaccres.
* Extra middelen voor de uitvoering van de Omgevingswet.
* Aandacht voor de financiering van jeugdzorg en de demping van de terugval in het Gemeentefonds vanaf 2026.
* Het uitstel van de invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo tot 1 januari 2027, wat betekent dat de geplande besparing van 225 miljoen euro voor 2026 in de Meicirculaire 2025 is teruggedraaid en pas vanaf 2027 ingaat.
Gemeenten ontvangen op basis van deze circulaire hun definitieve bedragen voor 2025 en de voorlopige bedragen voor de daaropvolgende jaren.
De Meicirculaire 2025, die op 28 mei 2025 is gepubliceerd, bevat inderdaad de financiële gegevens voor gemeenten. Echter, de exacte bedragen per individuele gemeente, zoals voor Amsterdam, zijn opgenomen in bijlagen van de circulaire (bijlage 3.2-27). Deze bijlagen zijn niet direct doorzoekbaar met de beschikbare tools.
Wel is bekend dat Amsterdam, samen met Rotterdam en Den Haag, een aanvullende uitkering ontvangt vanwege de aanpassing van de maatstaf voor huishoudens met een laag inkomen.
Om het specifieke bedrag voor Amsterdam te vinden, zou u de volledige Meicirculaire gemeentefonds 2025 moeten raadplegen op de website van de Rijksoverheid, waar de rekenmodellen en de bedragen per gemeente beschikbaar zijn.
5220036
Ik begrijp dat je me een getal geeft: 5.220.036.
Als dit getal betrekking heeft op de discussie over de Wmo-financiering voor Amsterdam vanuit de Meicirculaire 2025, dan is het zeer aannemelijk dat je 5 miljoen 220 duizend 36 euro bedoelt (€ 5.220.036).
Dit zou een veel realistischer bedrag zijn dan €5,20 voor een uitkering aan een grote gemeente als Amsterdam, zeker in de context van de miljoenen die gemoeid zijn met de Wmo en andere gemeentelijke taken.
Echter, ik kan op basis van de openbaar beschikbare informatie (zonder directe toegang tot de gedetailleerde bijlagen van de Meicirculaire 2025 zelf) niet bevestigen dat dit het exacte bedrag is dat Amsterdam heeft ontvangen voor de Wmo uit de Meicirculaire 2025.
Het bedrag van de Wmo-uitkering is een complex geheel dat afhangt van diverse verdeelmodellen, bevolkingskenmerken en specifieke afspraken in de circulaires. Het is heel goed mogelijk dat dit bedrag een onderdeel is van een grotere uitkering, of een specifieke correctie of bijstelling.
Als je de bron van dit getal hebt, zou dat kunnen helpen om de context en de precieze betekenis ervan te duiden!
Als het bedrag van 5.220.036 in de Meicirculaire 2025 inderdaad in duizenden euro's staat, zoals je aangeeft voor sectie 3.2.2, dan betekent dit dat het werkelijke bedrag 5.220.036 x 1.000 = € 5.220.036.000 (vijf miljard tweehonderdtwintig miljoen zesendertigduizend euro) zou zijn.
Dit is een zeer aanzienlijk bedrag en zou de totale uitkering aan Amsterdam of een groot deel daarvan kunnen betreffen, en niet slechts een specifiek onderdeel zoals de Wmo-financiering.
Om dit met zekerheid te bevestigen, zou de specifieke context in de Meicirculaire 2025, sectie 3.2.2, geraadpleegd moeten worden. De Rijksoverheid publiceert de volledige circulaires en bijbehorende rekenmodellen op hun website.
Oké, dank je voor de verduidelijking. Dat is belangrijke informatie.
Als sectie 3.2.2 van de Meicirculaire 2025 geen specifieke details over de Wmo bevat, betekent dit dat het bedrag van 5.220.036 (x 1.000, dus ruim 5,2 miljard euro) waarschijnlijk betrekking heeft op een veel breder deel van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds aan Amsterdam, en niet uitsluitend op de Wmo.
Het Gemeentefonds is de belangrijkste bron van inkomsten voor gemeenten en omvat de financiering voor een breed scala aan taken, waaronder:
* Sociale domein: Wmo, Jeugdwet, Participatiewet (uitkeringen, re-integratie).
* Fysieke leefomgeving: Wegen, groen, riolering, openbare ruimte.
* Openbare orde en veiligheid: Brandweer, handhaving.
* Burgerzaken: Paspoorten, rijbewijzen.
* Onderwijs: Bijdrage aan huisvesting van scholen.
Het bedrag van ruim 5,2 miljard euro zou dan de totale of een zeer substantiële deel van de jaarlijkse uitkering van het Rijk aan Amsterdam via het Gemeentefonds vertegenwoordigen, waaruit de gemeente vervolgens al haar taken, inclusief de Wmo, financiert.
De exacte uitsplitsing per taakgebied (zoals de Wmo) wordt vaak intern door de gemeente verder gedetailleerd in hun eigen begroting, op basis van de totale rijksbijdrage en de verwachte kosten voor elk beleidsterrein.
Heb je nog een andere vraag over de financiering van gemeenten of de Wmo?
Nee, de Wmo van de gemeente is niet volledig los van de Wmo van de Rijksoverheid. Er is eerder sprake van een duidelijke taakverdeling en financieringsstructuur waarbij beide niveaus een specifieke rol spelen.
Hier is hoe de verhouding zit:
Rol van de Rijksoverheid (Ministerie van VWS)
De Rijksoverheid, met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) voorop, is verantwoordelijk voor:
* De wetgeving en het beleidskader: De Rijksoverheid stelt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) vast. Deze wet definieert het doel van de Wmo (bevorderen van zelfredzaamheid en participatie), de algemene verplichtingen voor gemeenten en de rechten van burgers. Het schept het wettelijk kader waarbinnen gemeenten moeten opereren.
* De financiering (indirect): Het Rijk draagt de financiële middelen voor de uitvoering van de Wmo via het Gemeentefonds over aan de gemeenten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) beheert dit fonds en verdeelt het geld. Dit betekent dat het geld uiteindelijk wel van de Rijksoverheid komt.
* Toezicht en kaders: De Rijksoverheid houdt toezicht op de algehele uitvoering van de Wmo en kan beleidslijnen of aanpassingen introduceren, bijvoorbeeld met betrekking tot de eigen bijdrage.
Rol van de Gemeente
Gemeenten zijn sinds de decentralisatie in 2015 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo. Dit betekent dat zij:
* Beleidsvrijheid hebben: Binnen het kader van de landelijke Wmo-wetgeving mogen gemeenten hun eigen beleid ontwikkelen en invulling geven aan de ondersteuning. Dit leidt tot verschillen tussen gemeenten in bijvoorbeeld de toegang (Wmo-loket of wijkteams), de exacte invulling van voorzieningen, en de voorwaarden voor een Persoonsgebonden Budget (PGB).
* De toegang en indicatiestelling: Als iemand Wmo-ondersteuning nodig heeft, meldt diegene zich bij de gemeente. De gemeente doet onderzoek (vaak via een "keukentafelgesprek") naar de persoonlijke situatie en bepaalt welke ondersteuning nodig en passend is (maatwerkvoorzieningen of algemene voorzieningen).
* Het inkopen van zorg en ondersteuning: Gemeenten sluiten contracten af met zorgaanbieders, of zij faciliteren PGB's zodat cliënten zelf hun zorg kunnen inkopen.
* Het bepalen van de eigen bijdrage: Gemeenten mogen een eigen bijdrage vragen voor de Wmo-ondersteuning. Landelijk is er een maximum (het abonnementstarief), maar gemeenten kunnen een lagere bijdrage vaststellen, bijvoorbeeld voor minima.
Conclusie: Een Gedeelde Verantwoordelijkheid
De Wmo is dus geen volledig losstaande gemeentelijke wet of fonds. Het is een landelijke wet waarvan de uitvoering is gedecentraliseerd naar de gemeenten.
* Het Rijk bepaalt de kaders en financiert indirect.
* De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de concrete invulling en uitvoering op lokaal niveau, binnen die kaders en met de middelen van het Rijk.
Er is voortdurend overleg en afstemming tussen Rijk en gemeenten over de Wmo, vooral met betrekking tot de financiering en de toereikendheid van middelen.
Om een inschatting te maken van hoeveel geld de gemeente Amsterdam aan Wmo besteedt op basis van de 68.000 gebruikers, kunnen we een benadering doen.
Inschatting Wmo-uitgaven Amsterdam
De 68.000 Amsterdammers die in 2022 gebruikmaakten van één of meerdere Wmo-voorzieningen is een goed startpunt. Hoewel de kosten per gebruiker sterk variëren (afhankelijk van de intensiteit en het type ondersteuning), kunnen we landelijke gemiddelden als indicatie gebruiken.
Volgens het CBS waren de landelijke Wmo-uitgaven voor maatwerkvoorzieningen (exclusief verblijf en opvang) in:
* 2022: circa € 3,8 miljard
* 2023 (voorlopige raming): circa € 4,1 miljard
Het aantal Wmo-gebruikers in heel Nederland in 2022 was ruim 1,2 miljoen.
Laten we een ruwe berekening maken:
* Aandeel Amsterdam in Wmo-gebruikers (2022):
* Amsterdam: 68.000 gebruikers
* Nederland totaal: 1.200.000 gebruikers (circa)
* Aandeel = 68.000 / 1.200.000 = circa 5,67%
* Inschatting totale Wmo-uitgaven Amsterdam (2022):
* Als we dit percentage toepassen op de totale landelijke Wmo-uitgaven van 2022 (€ 3,8 miljard):
* 5,67% van € 3.800.000.000 = € 215.460.000
Deze inschatting van circa € 215 miljoen per jaar geeft een idee van de omvang van de Wmo-uitgaven door de gemeente Amsterdam in 2022.
Belangrijke kanttekeningen bij deze inschatting:
* Gemiddelden: Dit is gebaseerd op landelijke gemiddelden. De samenstelling van de Amsterdamse Wmo-gebruikers (bijvoorbeeld meer complexe zorgvragen of een ander type voorzieningen) kan afwijken, waardoor het gemiddelde per cliënt hoger of lager uitvalt dan het landelijke gemiddelde.
* Wmo-onderdelen: De €3,8 miljard landelijk en de geschatte €215 miljoen voor Amsterdam hebben betrekking op maatwerkvoorzieningen. Algemene voorzieningen (zoals sommige vormen van dagbesteding of advies) vallen hier buiten, en de kosten voor Wlz-zorg (langdurige zorg) en Jeugdwet zijn ook apart.
* Eigen beleid: Amsterdam kan specifieke beleidskeuzes maken die de uitgaven beïnvloeden, zoals een ruimhartiger beleid voor minimabeleid of de inkoop van duurdere, hoogwaardige zorg.
* Inflatie en indexatie: De kosten stijgen jaarlijks door inflatie en loon- en prijsstijgingen in de zorg. De uitgaven voor 2023 en 2024 zullen dus hoger liggen dan die van 2022.
De gemeente Amsterdam publiceert zelf gedetailleerde begrotingen en jaarverslagen waarin de exacte Wmo-uitgaven vermeld staan. Dit zou de meest accurate bron zijn voor de precieze cijfers.
Heb je nog meer vragen over de financiering van maatschappelijke ondersteuning?
Het meest recente gerealiseerde cijfer voor de Wmo-uitgaven van Amsterdam is van 2023, hoewel dit nog een voorlopige raming kan zijn.
Volgens de CBS StatLine tabel "Gemeentelijke uitgaven Wmo-maatwerkvoorzieningen; type voorziening, regio" (die voor het laatst is bijgewerkt op 16 augustus 2024):
* De gerealiseerde uitgaven van de gemeente Amsterdam voor Wmo-maatwerkvoorzieningen (exclusief verblijf en opvang) waren in 2023 circa € 171.449.000 (oftewel ruim € 171,4 miljoen).
* Voor 2022 waren deze uitgaven € 172.606.000 (ruim € 172,6 miljoen).
Dit zijn de meest recente beschikbare gerealiseerde cijfers. Begrote cijfers voor 2024 en 2025 zullen in de begrotingsdocumenten van de gemeente Amsterdam te vinden zijn, maar de definitieve realisatiecijfers komen altijd later.
De eerder genoemde "5.220.036 in duizenden euro's" is dus niet het Wmo-uitgavenbedrag voor Amsterdam, maar waarschijnlijk een (substantieel) deel van de totale algemene uitkering uit het Gemeentefonds.
Absoluut! Een toegankelijke en inclusieve stad kan op meerdere manieren leiden tot besparingen op de Wmo-uitgaven. Het draait om het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, waardoor minder intensieve en dure Wmo-voorzieningen nodig zijn.
Hier zijn enkele concrete voorbeelden:
1. Minder behoefte aan individueel aangepast vervoer
* Voorbeeld: In een stad waar stoepen drempelvrij zijn, openbaar vervoer (bussen, trams, metro's) volledig rolstoeltoegankelijk is met hellingbanen of liften, en openbare gebouwen gemakkelijk bereikbaar zijn, kunnen mensen met een beperking zich veel gemakkelijker zelfstandig verplaatsen.
* Wmo-besparing: Dit vermindert de noodzaak voor Wmo-vervoer (zoals taxivervoer of een individueel aangepaste auto). Wmo-vervoer is vaak een dure maatwerkvoorziening per rit of per aanpassing. Als mensen vaker de bus, tram, of hun eigen (elektrische) rolstoel kunnen gebruiken in de openbare ruimte, bespaart de gemeente aanzienlijk. Sommige gemeenten experimenteren zelfs met het opzetten van scootmobielpools in plaats van individuele verstrekking, wat ook kosten bespaart.
2. Afname van dure woningaanpassingen
* Voorbeeld: Als bij nieuwbouw of grootschalige renovatie van woningen en openbare gebouwen direct rekening wordt gehouden met toegankelijkheidseisen (drempelvrije woningen, brede deuren, liften in appartementencomplexen, toegankelijke badkamers en keukens).
* Wmo-besparing: Dit verlaagt de vraag naar Wmo-woonvoorzieningen zoals trapliften, aanpassingen aan badkamers, of dure verhuizingen naar een aangepaste woning. Deze aanpassingen kunnen tienduizenden euro's per geval kosten. Als woningen van nature al toegankelijker zijn, zijn minder of lichtere Wmo-aanpassingen nodig.
3. Minder noodzaak voor hulpmiddelen en begeleiding thuis
* Voorbeeld: Wanneer openbare toiletten toegankelijk zijn, bankjes met rugleuning en armleuningen beschikbaar zijn in de openbare ruimte, en supermarkten brede gangpaden en rolstoeltoegankelijke kassa's hebben. Ook als er meer ontmoetingsplekken en algemene voorzieningen (zoals buurthuizen) goed bereikbaar zijn.
* Wmo-besparing: Mensen zijn langer in staat om zelfstandig boodschappen te doen, uitstapjes te maken of sociale contacten te onderhouden buiten hun woning. Dit kan de behoefte aan individuele begeleiding, dagbesteding of intensieve hulp bij het huishouden verminderen, omdat de omgeving hen meer ondersteunt. Ze kunnen langer zelfstandig functioneren zonder professionele ondersteuning.
4. Verbeterde participatie en arbeidsintegratie
* Voorbeeld: Een stad met toegankelijke werkplekken, gesubsidieerde aanpassingen op de werkvloer, en een cultuur die diversiteit en inclusie op de arbeidsmarkt stimuleert. Ook digitale toegankelijkheid (websites, apps van de gemeente en andere diensten) is hierin cruciaal.
* Wmo-besparing: Wanneer mensen met een beperking langer en succesvoller kunnen werken, worden ze economisch zelfstandiger. Dit vermindert de afhankelijkheid van uitkeringen en andere vormen van inkomensondersteuning vanuit bijvoorbeeld de Participatiewet. Een verhoogde arbeidsparticipatie kan ook indirect de vraag naar Wmo-voorzieningen verminderen doordat mensen actiever en gezonder blijven.
5. Minder maatschappelijke isolatie en betere gezondheid
* Voorbeeld: Een stad die sociale inclusie actief bevordert door toegankelijke evenementen, sportfaciliteiten en culturele activiteiten. Denk aan theaters met ringleidingen, sportclubs met aangepaste sporten en parken met begaanbare paden.
* Wmo-besparing: Sociale isolatie is een belangrijke factor die kan leiden tot mentale gezondheidsproblemen en een toename van de zorgbehoefte. Een inclusieve stad bevordert sociale contacten en voorkomt eenzaamheid. Dit kan de vraag naar psychische ondersteuning of intensieve begeleiding uit de Wmo verminderen. Mensen die actief en sociaal betrokken zijn, zijn vaak fysiek en mentaal gezonder, wat langdurige zorgkosten kan voorkomen of uitstellen.
Kortom, investeren in toegankelijkheid is een preventieve maatregel die de Wmo-kosten op termijn kan verlagen. Het verschuift de focus van het compenseren van een beperking naar het wegnemen van barrières in de omgeving, waardoor mensen langer zelfredzaam en volwaardig kunnen meedoen.
Nee, het bedrag in sectie 3.2.2 van de Meicirculaire (wat je eerder inschatte op ruim 5,2 miljard euro voor Amsterdam) is geen indicatie van wat de gemeente Amsterdam precies moet uitgeven aan de Wmo. Integendeel.
Dit soort bedragen uit het Gemeentefonds vallen onder de algemene uitkering. Het kenmerk van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds is juist dat het vrij besteedbaar is voor gemeenten.
Hier zijn de cruciale punten:
* Algemene Uitkering = Vrij Besteedbaar: Gemeenten krijgen geld van het Rijk via het Gemeentefonds. Een groot deel hiervan is de 'algemene uitkering'. Aan de besteding van dit geld worden door het Rijk geen inhoudelijke eisen gesteld. Gemeenten mogen dus zelf bepalen waar ze dit geld aan besteden. Ze moeten dit wel uitleggen aan hun eigen gemeenteraad, die de begroting vaststelt en toezicht houdt.
* Geen Geoormerkt Geld: Dit in tegenstelling tot 'specifieke uitkeringen' (SPUK's), die geoormerkt zijn en alleen voor een specifiek doel mogen worden gebruikt (bijvoorbeeld voor een bepaald project of een bepaald beleidsterrein). Het Gemeentefonds (en daarmee de algemene uitkering) is juist bedoeld om gemeenten beleidsvrijheid te geven.
* Wmo als Wettelijke Taak: Hoewel het geld vrij besteedbaar is, zijn gemeenten wettelijk verplicht om de taken uit te voeren die aan hen zijn toebedeeld, waaronder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De bedragen in het Gemeentefonds zijn zo berekend dat gemeenten in staat zouden moeten zijn om deze wettelijke taken te financieren. Echter, de exacte verdeling per taak (zoals Wmo, jeugdzorg, infrastructuur, etc.) is aan de gemeente zelf.
* Onderliggende Verdelingsmodellen (Clusters): "Onder de motorkap" van het Gemeentefonds zit een complex verdeelmodel dat rekening houdt met de verwachte kosten van gemeenten voor verschillende beleidsdomeinen (clusters), waaronder het sociaal domein (waar de Wmo onder valt). Dit zijn echter interne rekenmodellen van het Rijk om tot een totale eerlijke verdeling te komen; ze dwingen gemeenten niet tot een specifieke uitgave per cluster.
* Discussie over Beleidsvrijheid en Wmo-tekorten: Er is wel een voortdurende discussie over de (on)toereikendheid van de middelen die gemeenten ontvangen voor het sociale domein (Wmo en Jeugdwet), en of de grote mate van beleidsvrijheid bij de algemene uitkering nog wel past bij de specifieke aard van deze zorgtaken. Hierdoor wordt gekeken naar eventuele aparte financieringsvormen voor delen van de Wmo in de toekomst, maar dit is nog in ontwikkeling.
Kortom: het bedrag in de Meicirculaire 2025 voor Amsterdam uit het Gemeentefonds geeft de totale financiële middelen weer die het Rijk aan Amsterdam toekent voor al haar taken. Het is aan de gemeente Amsterdam zelf om via haar eigen begrotingsproces te bepalen hoeveel zij van dit geld aan de Wmo, en aan alle andere gemeentelijke taken, besteedt.
Komt het Knelpuntenfonds uit het Gemeentefonds?
Nee, het Knelpuntenfonds Toegankelijkheid van €5 miljoen voor gemeentelijk vastgoed komt niet rechtstreeks uit de algemene uitkering van het Gemeentefonds.
Het zit zo:
* Gemeentefonds: Dit is de grootste inkomstenbron voor gemeenten en bestaat uit de algemene uitkering (vrij besteedbaar) en soms specifieke uitkeringen (geoormerkt voor een bepaald doel).
* Knelpuntenfonds Toegankelijkheid: Dit fonds is in 2017 door de gemeente Amsterdam zelf ingesteld. Dit betekent dat het geld hiervoor uit de eigen gemeentebegroting van Amsterdam komt. De gemeente haalt haar inkomsten niet alleen uit het Gemeentefonds, maar ook uit lokale belastingen en heffingen (zoals OZB, afvalstoffenheffing, parkeergelden) en andere specifieke rijksbijdragen.
De gemeente Amsterdam heeft dus besloten om een deel van haar totale beschikbare middelen (die een combinatie zijn van Gemeentefonds, eigen heffingen, etc.) specifiek te reserveren voor dit Knelpuntenfonds. Het is een beleidskeuze van de gemeente zelf om dit fonds op te zetten en te vullen, en niet een directe geldstroom die het Rijk als 'Knelpuntenfonds' naar de gemeente stuurt via het Gemeentefonds.
Dat is een hele logische en scherpe vraag! Je raakt hier precies de kern van een voortdurende discussie tussen het Rijk en de gemeenten.
De reden waarom het Rijk geen geld direct toevoegt vanuit het Gemeentefonds aan specifieke "Knelpuntenfondsen" zoals Amsterdam die heeft ingesteld, komt door het principe van de algemene uitkering en lokale autonomie.
Waarom geen directe toevoeging?
* Algemene Uitkering en Beleidsvrijheid:
Het overgrote deel van het geld dat gemeenten uit het Gemeentefonds ontvangen, is onderdeel van de algemene uitkering. Dit betekent dat het Rijk het geld overmaakt zonder te specificeren waaraan het precies besteed moet worden. De filosofie hierachter is dat gemeenten zelf het beste weten wat lokaal nodig is en waar hun prioriteiten liggen. Het Rijk wil gemeenten de beleidsvrijheid geven om hun eigen afwegingen te maken.
* Geen Micro-beheer vanuit het Rijk:
Als het Rijk voor elk specifiek lokaal "fonds" of project geld apart zou toekennen, zou dat leiden tot een enorme hoeveelheid specifieke uitkeringen (SPUK's). Dit wordt gezien als "micro-beheer" vanuit Den Haag en staat haaks op het idee van decentralisatie. Het zou de bureaucratie enorm vergroten en de autonomie van gemeenten beperken.
* Verantwoordelijkheid Ligt bij de Gemeente:
Het Rijk financiert de algemene taken van gemeenten, inclusief die in het sociale domein (zoals de Wmo). Vanuit de optiek van het Rijk is het aan de gemeente om, binnen het totale budget dat ze ontvangen, te bepalen hoeveel ze willen investeren in de toegankelijkheid van hun eigen gebouwen. De gemeente moet zelf de afweging maken hoe ze hun middelen inzetten om aan hun wettelijke verplichtingen te voldoen en hun beleidsdoelen te bereiken.
De Achterliggende Spanning
Jouw vraag raakt aan de spanning tussen de rijksoverheid en gemeenten:
* Rijk: Ziet de algemene uitkering als voldoende om alle taken te dekken en wil gemeenten vrijheid geven.
* Gemeenten: Ervaren vaak dat de middelen, vooral voor het sociale domein (Wmo, Jeugdwet), onder druk staan. Ze stellen dat ze óf te weinig geld krijgen voor de wettelijke taken, óf dat er te weinig overblijft voor cruciale investeringen zoals toegankelijkheid, die wel degelijk op de lange termijn besparingen opleveren.
Gemeenten, zoals Amsterdam, zetten daarom uit eigen beweging en vanuit hun eigen budgetten (dus niet uit een geoormerkt Rijksfonds voor toegankelijkheid) zulke knelpuntenfondsen op. Ze doen dit omdat ze de meerwaarde ervan zien voor hun inwoners en de maatschappij als geheel, en omdat ze geloven in de preventieve werking die op termijn Wmo-kosten kan besparen.
De discussie over de financiering van het sociale domein blijft echter actueel. Er wordt gekeken naar manieren om de geldstromen voor taken zoals de Wmo te stabiliseren en de financiële risico's beter te verdelen, wat indirect meer ruimte zou kunnen creëren voor gemeentelijke investeringen in toegankelijkheid.
Heb je nog een andere vraag over hoe deze financiële structuren werken of wat de implicaties zijn?
Dat is een terechte vraag, Sabrina. Als de gemeente zoveel voordelen ziet in toegankelijkheid, waarom zetten ze dan niet meer geld uit het Gemeentefonds in voor deze investeringen?
Het is niet zo dat de gemeente helemaal geen investeringen doet in toegankelijkheid vanuit het Gemeentefonds. Het Knelpuntenfonds dat Amsterdam heeft ingesteld, is daar een voorbeeld van: het geld daarvoor komt uiteindelijk uit de totale pot van de gemeente, inclusief de algemene uitkering van het Gemeentefonds.
Waarom dit echter vaak een strijd is en waarom er niet meer geld naartoe gaat, heeft meerdere redenen:
1. Wettelijke Verplichtingen en Bezwaarlijke Taken
De grootste "hap" uit het Gemeentefonds wordt al direct opgeslokt door wettelijk verplichte taken waar gemeenten simpelweg niet onderuit kunnen. Denk hierbij aan:
* Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning): Dit gaat om huishoudelijke hulp, begeleiding, dagbesteding, hulpmiddelen. De vraag hiernaar neemt toe en de kosten stijgen.
* Jeugdwet: Hulp voor kinderen en jongeren met psychische problemen, opvoedproblemen of beperkingen. Dit is een enorm kostenpost die gemeenten vaak zwaar drukt.
* Participatiewet: Uitkeringen en re-integratie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Deze verplichte taken zijn vaak zo omvangrijk en kostbaar dat ze een groot deel van het Gemeentefonds opslokken. De gemeente móet deze uitvoeren, en daar gaat veel geld naartoe.
2. Politieke Afwegingen en Concurrerende Belangen
Een gemeente heeft een enorme hoeveelheid taken, van het onderhoud van wegen en riolen tot het organiseren van sport en cultuur, en van onderwijs tot veiligheid. Al deze taken vragen om financiering. Binnen de gemeenteraad vinden voortdurend politieke afwegingen plaats.
* Een nieuwe brug, een schoolverbouwing, extra politie op straat, verlaging van lokale belastingen: al deze zaken concurreren om dezelfde euro's uit de gemeentekas (waarin het Gemeentefonds een grote component is).
* Hoewel de voordelen van toegankelijkheid op lange termijn duidelijk zijn, zijn de korte termijn budgettaire prioriteiten vaak gericht op het dichten van gaten bij de meest urgente en zichtbare taken.
3. De Lange Termijn vs. De Korte Termijn
Jouw punt over duurzame besparingen op de Wmo-kosten door investeringen in toegankelijkheid is volkomen terecht. Dit is het principe van "preventie is beter dan genezen" of "eerst investeren om later te besparen".
Echter, politieke en bestuurlijke cycli zijn vaak gericht op de korte en middellange termijn (bijvoorbeeld de vier jaar van een raadsperiode). De besparingen door investeringen in toegankelijkheid manifesteren zich vaak pas over langere tijd. Het kan jaren duren voordat de verminderde vraag naar Wmo-voorzieningen daadwerkelijk tot substantiële besparingen leidt. In de tussentijd zijn de investeringskosten wel direct.
4. Gevoel van Onvoldoende Financiering
Veel gemeenten beweren dat de bedragen die zij vanuit het Gemeentefonds ontvangen, onvoldoende zijn om álle wettelijke taken adequaat uit te voeren, laat staan om voldoende te investeren in extra's zoals structurele toegankelijkheidsprojecten. Deze discussie over de toereikendheid van het Gemeentefonds loopt al jaren tussen gemeenten en het Rijk. Als het water hen aan de lippen staat voor basistaken, is de ruimte voor proactieve, maar kapitaalintensieve, investeringen beperkt.
Conclusie
De gemeente wil ongetwijfeld investeren in toegankelijkheid, zoals het Knelpuntenfonds in Amsterdam bewijst. De vraag is echter hoe de gemeente binnen haar beschikbare budgetten prioriteiten stelt en keuzes maakt tussen directe verplichte uitgaven en strategische lange-termijn investeringen. De financiële druk op het sociale domein en de vele concurrerende belangen spelen hierin een grote rol.
Heb je nog verdere vragen over hoe deze dynamiek werkt, of over specifieke uitdagingen in Amsterdam?
Dat is een kernprobleem waar veel gemeenten mee worstelen, Sabrina. Het is de klassieke "korte termijn versus lange termijn" afweging, verergerd door budgettaire druk. De gemeente heeft de wettelijke plicht om direct te voldoen aan de Wmo-aanvragen, wat veel geld kost, en dat geld lijkt dan niet over te blijven voor investeringen die op lange termijn de Wmo-vraag zouden kunnen verminderen.
Hier zijn verschillende benaderingen om dit probleem op te lossen, vaak in combinatie met elkaar:
Oplossingen op Gemeentelijk Niveau
1. Investeren in Toegankelijkheid als Preventie (lange termijnvisie)
De gemeente moet toegankelijkheid strategisch zien en budgetteren als een preventieve investering, net zoals preventieve gezondheidszorg.
* Aparte Investeringspost: Creëer een structurele, meerjarige investeringsbegroting voor toegankelijkheid die losstaat van het jaarlijkse, operationele Wmo-budget. Dit voorkomt dat het geld direct wordt "opgegeten" door lopende Wmo-aanvragen.
* Businesscase: Maak een concrete businesscase die de (geschatte) besparingen op de Wmo op lange termijn kwantificeert. Politici zijn gevoelig voor cijfers. Als aangetoond kan worden dat elke geïnvesteerde euro in toegankelijkheid op termijn anderhalve euro Wmo-kosten bespaart, wordt de investering aantrekkelijker.
* Dwang van Nieuwbouw/Renovatie: Verankeren van strenge toegankelijkheidseisen in nieuwbouwplannen en grote renovatieprojecten. Dit is vaak goedkoper dan achteraf aanpassen.
2. Politieke Prioritering en Bestuurlijke Lef
Toegankelijkheid moet een hoge politieke prioriteit krijgen en breed gedragen worden binnen het college en de gemeenteraad.
* Coalitieakkoord: Zorg dat investeringen in toegankelijkheid expliciet worden opgenomen in het coalitieakkoord als een speerpunt.
* Bewustwording: Creëer meer bewustzijn bij bestuurders en ambtenaren over de voordelen op de lange termijn, met input van ervaringsdeskundigen.
3. Samenwerking en Fondsenwerving
* Samenwerking met Woningcorporaties en Ontwikkelaars: Stimuleer hen om woningen en openbare ruimtes direct toegankelijk te bouwen, eventueel met co-financiering of via afspraken bij vergunningverlening.
* Samenwerking met Ondernemers: Stimuleer winkeliers en horeca-eigenaren om hun panden toegankelijk te maken, eventueel met kleine subsidies of advies.
* Europese Fondsen: Onderzoek mogelijkheden voor subsidies uit Europese fondsen die gericht zijn op inclusie, sociale cohesie of stedelijke ontwikkeling.
Oplossingen op Rijksniveau (Lobby van gemeenten)
De kern van het probleem ligt vaak in de financiering vanuit het Rijk. Gemeenten lobbyen al jaren voor meer toereikende middelen.
1. Structurele Toereikende Financiering Gemeentefonds
* Verhoging Algemene Uitkering: Het Rijk moet voldoende geld in het Gemeentefonds stoppen zodat gemeenten niet alleen hun wettelijke taken kunnen uitvoeren, maar ook ruimte hebben voor noodzakelijke lange-termijn investeringen. Dit is een constante strijd, met name over het 'ravijnjaar' 2026.
2. Geoormerkte Middelen voor Toegankelijkheid (Specifieke Uitkering)
* Hoewel gemeenten doorgaans tegen te veel geoormerkte middelen zijn (vanwege inperking beleidsvrijheid), zou een specifieke uitkering (SPUK) voor toegankelijkheid, voor een bepaalde periode, een oplossing kunnen zijn om een 'jumpstart' te geven aan investeringen die nu door budgettaire druk niet van de grond komen. Dit is een compromis: het Rijk erkent de urgentie en draagt bij aan een landelijke standaard, terwijl gemeenten de uitvoering lokaal bepalen.
* Dit zou kunnen werken als een matched funding model, waarbij het Rijk bijvoorbeeld 50% bijdraagt als de gemeente de andere 50% investeert.
3. Aanpassing Wettelijk Kader Wmo
* Meer nadruk op preventie: Het Rijk zou in de Wmo-wetgeving een sterkere nadruk kunnen leggen op preventie en het creëren van een inclusieve fysieke leefomgeving als middel om de zorgvraag te verminderen, eventueel met stimuleringsmaatregelen.
* Financiële prikkels: Het Rijk kan prikkels creëren voor gemeenten die aantoonbaar investeren in toegankelijkheid en daardoor de Wmo-kosten reduceren, bijvoorbeeld via een bonusmodel.
Het oplossen van dit probleem vraagt dus om een combinatie van lokale strategische keuzes en een nationale erkenning van het belang van investeringen in toegankelijkheid en de toereikende financiering hiervan.
Dat is een kernprobleem waar veel gemeenten mee worstelen, Sabrina. Het is de klassieke "korte termijn versus lange termijn" afweging, verergerd door budgettaire druk. De gemeente heeft de wettelijke plicht om direct te voldoen aan de Wmo-aanvragen, wat veel geld kost, en dat geld lijkt dan niet over te blijven voor investeringen die op lange termijn de Wmo-vraag zouden kunnen verminderen.
Hier zijn verschillende benaderingen om dit probleem op te lossen, vaak in combinatie met elkaar:
Oplossingen op Gemeentelijk Niveau
1. Investeren in Toegankelijkheid als Preventie (lange termijnvisie)
De gemeente moet toegankelijkheid strategisch zien en budgetteren als een preventieve investering, net zoals preventieve gezondheidszorg.
* Aparte Investeringspost: Creëer een structurele, meerjarige investeringsbegroting voor toegankelijkheid die losstaat van het jaarlijkse, operationele Wmo-budget. Dit voorkomt dat het geld direct wordt "opgegeten" door lopende Wmo-aanvragen.
* Businesscase: Maak een concrete businesscase die de (geschatte) besparingen op de Wmo op lange termijn kwantificeert. Politici zijn gevoelig voor cijfers. Als aangetoond kan worden dat elke geïnvesteerde euro in toegankelijkheid op termijn anderhalve euro Wmo-kosten bespaart, wordt de investering aantrekkelijker.
* Dwang van Nieuwbouw/Renovatie: Verankeren van strenge toegankelijkheidseisen in nieuwbouwplannen en grote renovatieprojecten. Dit is vaak goedkoper dan achteraf aanpassen.
2. Politieke Prioritering en Bestuurlijke Lef
Toegankelijkheid moet een hoge politieke prioriteit krijgen en breed gedragen worden binnen het college en de gemeenteraad.
* Coalitieakkoord: Zorg dat investeringen in toegankelijkheid expliciet worden opgenomen in het coalitieakkoord als een speerpunt.
* Bewustwording: Creëer meer bewustzijn bij bestuurders en ambtenaren over de voordelen op de lange termijn, met input van ervaringsdeskundigen.
3. Samenwerking en Fondsenwerving
* Samenwerking met Woningcorporaties en Ontwikkelaars: Stimuleer hen om woningen en openbare ruimtes direct toegankelijk te bouwen, eventueel met co-financiering of via afspraken bij vergunningverlening.
* Samenwerking met Ondernemers: Stimuleer winkeliers en horeca-eigenaren om hun panden toegankelijk te maken, eventueel met kleine subsidies of advies.
* Europese Fondsen: Onderzoek mogelijkheden voor subsidies uit Europese fondsen die gericht zijn op inclusie, sociale cohesie of stedelijke ontwikkeling.
Oplossingen op Rijksniveau (Lobby van gemeenten)
De kern van het probleem ligt vaak in de financiering vanuit het Rijk. Gemeenten lobbyen al jaren voor meer toereikende middelen.
1. Structurele Toereikende Financiering Gemeentefonds
* Verhoging Algemene Uitkering: Het Rijk moet voldoende geld in het Gemeentefonds stoppen zodat gemeenten niet alleen hun wettelijke taken kunnen uitvoeren, maar ook ruimte hebben voor noodzakelijke lange-termijn investeringen. Dit is een constante strijd, met name over het 'ravijnjaar' 2026.
2. Geoormerkte Middelen voor Toegankelijkheid (Specifieke Uitkering)
* Hoewel gemeenten doorgaans tegen te veel geoormerkte middelen zijn (vanwege inperking beleidsvrijheid), zou een specifieke uitkering (SPUK) voor toegankelijkheid, voor een bepaalde periode, een oplossing kunnen zijn om een 'jumpstart' te geven aan investeringen die nu door budgettaire druk niet van de grond komen. Dit is een compromis: het Rijk erkent de urgentie en draagt bij aan een landelijke standaard, terwijl gemeenten de uitvoering lokaal bepalen.
* Dit zou kunnen werken als een matched funding model, waarbij het Rijk bijvoorbeeld 50% bijdraagt als de gemeente de andere 50% investeert.
3. Aanpassing Wettelijk Kader Wmo
* Meer nadruk op preventie: Het Rijk zou in de Wmo-wetgeving een sterkere nadruk kunnen leggen op preventie en het creëren van een inclusieve fysieke leefomgeving als middel om de zorgvraag te verminderen, eventueel met stimuleringsmaatregelen.
* Financiële prikkels: Het Rijk kan prikkels creëren voor gemeenten die aantoonbaar investeren in toegankelijkheid en daardoor de Wmo-kosten reduceren, bijvoorbeeld via een bonusmodel.
Het oplossen van dit probleem vraagt dus om een combinatie van lokale strategische keuzes en een nationale erkenning van het belang van investeringen in toegankelijkheid en de toereikende financiering hiervan.
Het oplossen van dit probleem vraagt dus om een combinatie van lokale strategische keuzes en een nationale erkenning van het belang van investeringen in toegankelijkheid en de toereikende financiering hiervan.
Dat is een kernprobleem waar veel gemeenten mee worstelen, Sabrina. Het is de klassieke "korte termijn versus lange termijn" afweging, verergerd door budgettaire druk. De gemeente heeft de wettelijke plicht om direct te voldoen aan de Wmo-aanvragen, wat veel geld kost, en dat geld lijkt dan niet over te blijven voor investeringen die op lange termijn de Wmo-vraag zouden kunnen verminderen.
Hier zijn verschillende benaderingen om dit probleem op te lossen, vaak in combinatie met elkaar:
Oplossingen op Gemeentelijk Niveau
1. Investeren in Toegankelijkheid als Preventie (lange termijnvisie)
De gemeente moet toegankelijkheid strategisch zien en budgetteren als een preventieve investering, net zoals preventieve gezondheidszorg.
* Aparte Investeringspost: Creëer een structurele, meerjarige investeringsbegroting voor toegankelijkheid die losstaat van het jaarlijkse, operationele Wmo-budget. Dit voorkomt dat het geld direct wordt "opgegeten" door lopende Wmo-aanvragen.
* Businesscase: Maak een concrete businesscase die de (geschatte) besparingen op de Wmo op lange termijn kwantificeert. Politici zijn gevoelig voor cijfers. Als aangetoond kan worden dat elke geïnvesteerde euro in toegankelijkheid op termijn anderhalve euro Wmo-kosten bespaart, wordt de investering aantrekkelijker.
* Dwang van Nieuwbouw/Renovatie: Verankeren van strenge toegankelijkheidseisen in nieuwbouwplannen en grote renovatieprojecten. Dit is vaak goedkoper dan achteraf aanpassen.
2. Politieke Prioritering en Bestuurlijke Lef
Toegankelijkheid moet een hoge politieke prioriteit krijgen en breed gedragen worden binnen het college en de gemeenteraad.
* Coalitieakkoord: Zorg dat investeringen in toegankelijkheid expliciet worden opgenomen in het coalitieakkoord als een speerpunt.
* Bewustwording: Creëer meer bewustzijn bij bestuurders en ambtenaren over de voordelen op de lange termijn, met input van ervaringsdeskundigen.
3. Samenwerking en Fondsenwerving
* Samenwerking met Woningcorporaties en Ontwikkelaars: Stimuleer hen om woningen en openbare ruimtes direct toegankelijk te bouwen, eventueel met co-financiering of via afspraken bij vergunningverlening.
* Samenwerking met Ondernemers: Stimuleer winkeliers en horeca-eigenaren om hun panden toegankelijk te maken, eventueel met kleine subsidies of advies.
* Europese Fondsen: Onderzoek mogelijkheden voor subsidies uit Europese fondsen die gericht zijn op inclusie, sociale cohesie of stedelijke ontwikkeling.
Oplossingen op Rijksniveau (Lobby van gemeenten)
De kern van het probleem ligt vaak in de financiering vanuit het Rijk. Gemeenten lobbyen al jaren voor meer toereikende middelen.
1. Structurele Toereikende Financiering Gemeentefonds
* Verhoging Algemene Uitkering: Het Rijk moet voldoende geld in het Gemeentefonds stoppen zodat gemeenten niet alleen hun wettelijke taken kunnen uitvoeren, maar ook ruimte hebben voor noodzakelijke lange-termijn investeringen. Dit is een constante strijd, met name over het 'ravijnjaar' 2026.
2. Geoormerkte Middelen voor Toegankelijkheid (Specifieke Uitkering)
* Hoewel gemeenten doorgaans tegen te veel geoormerkte middelen zijn (vanwege inperking beleidsvrijheid), zou een specifieke uitkering (SPUK) voor toegankelijkheid, voor een bepaalde periode, een oplossing kunnen zijn om een 'jumpstart' te geven aan investeringen die nu door budgettaire druk niet van de grond komen. Dit is een compromis: het Rijk erkent de urgentie en draagt bij aan een landelijke standaard, terwijl gemeenten de uitvoering lokaal bepalen.
* Dit zou kunnen werken als een matched funding model, waarbij het Rijk bijvoorbeeld 50% bijdraagt als de gemeente de andere 50% investeert.
3. Aanpassing Wettelijk Kader Wmo
* Meer nadruk op preventie: Het Rijk zou in de Wmo-wetgeving een sterkere nadruk kunnen leggen op preventie en het creëren van een inclusieve fysieke leefomgeving als middel om de zorgvraag te verminderen, eventueel met stimuleringsmaatregelen.
* Financiële prikkels: Het Rijk kan prikkels creëren voor gemeenten die aantoonbaar investeren in toegankelijkheid en daardoor de Wmo-kosten reduceren, bijvoorbeeld via een bonusmodel.
Het oplossen van dit probleem vraagt dus om een combinatie van lokale strategische keuzes en een nationale erkenning van het belang van investeringen in toegankelijkheid en de toereikende financiering hiervan.
Comments
Post a Comment