Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Distr.: General 5 September 2024 ADVANCE UNEDITED VERSION DUTCH TRANSLATION Original: English Vertaling: Netherlands
Verenigde Naties
CRPD/C/NLD/CO/1United Nations logoVerdrag inzake de rechten van personen met een handicapDistr.: General5 September 2024ADVANCE UNEDITED VERSION DUTCH TRANSLATIONOriginal: English Vertaling: Netherlands Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap Slotbeschouwingen over het eerste rapport van Nederland* I. Inleiding 1. Het Comité heeft het eerste rapport van Nederland besproken tijdens zijn 725e en 726e vergadering, gehouden op 15 augustus 2024. Het heeft de huidige afsluitende opmerkingen aangenomen tijdens zijn 747e vergadering, gehouden op 30 augustus 2024. 2. Het Comité verwelkomt het eerste rapport van Nederland, dat is opgesteld in overeenstemming met de rapportage richtlijnen van het Comité, en dankt de staatspartij voor zijn schriftelijke antwoorden op de lijst met kwesties die door het Comité is opgesteld. 3. Het Comité waardeert de constructieve dialoog die met de delegatie is gevoerd. Het Comité spreekt ook zijn waardering uit voor de actieve deelname van het Nederlands Instituut voor de Rechten van de Mens, in zijn hoedanigheid van nationale mensenrechteninstelling en onafhankelijk toezicht mechanisme, overeenkomstig artikel 33 (2) van het Verdrag. II. Positieve aspecten 4. Het Comité verwelkomt de maatregelen die de Staatspartij heeft genomen om de rechten van personen met een handicap te bevorderen en het Verdrag te implementeren sinds de toetreding tot het Verdrag in 2016, waaronder het volgende: (a) De ontwikkeling en goedkeuring van de Nationale Strategie 2040 voor verdere implementatie van het Verdrag, in nauw overleg met representatieve organisaties van personen met een handicap op nationaal en gemeentelijk niveau, in februari 2024; (b) Het besluit van de regering om het Facultatieve Protocol bij het Verdrag te ratificeren; (c) De wijziging van art. 1 van de Grondwet om discriminatie op grond van handicap op te nemen, aangenomen in februari 2023; (d) Het besluit van de regering om nationale wetgeving inzake gelijke behandeling in te voeren in het Caribisch gebied van Nederland, waaronder de Wet gelijke behandeling gehandicapten of chronische ziekten, met een wet die naar verwachting in januari 2025 in werking zal treden; (e) De goedkeuring van de nieuwe Jeugd Hervormingsagenda 2023-2028, gericht op het wijzigen van delen van de Wet kind en jeugd (2015) om de ondersteuning van jongeren met een beperking en hun gezinnen te verbeteren, in juni 2023; (f) De erkenning van Nederlandse Gebarentaal als officiële taal in 2021; (g) Stappen die zijn ondernomen om de Europese Toegankelijkheidswet te implementeren, die voorziet in toegankelijkheidsnormen in verschillende sectoren, zoals goederen, diensten en digitale content voor personen met een beperking. III. Belangrijkste aandachtspunten en aanbevelingen A. Algemene beginselen en verplichtingen (art. 1–4) 5. Het Comité is bezorgd dat de Staatspartij niet van plan is om haar interpretatieve verklaringen in te trekken voor bepaalde artikelen van het Verdrag, die de volledige verwezenlijking van de rechten van personen met een beperking beperken. 6. Het Comité beveelt de Staatspartij aan stappen te ondernemen om haar interpretatieve verklaringen in te trekken om de volledige bescherming en bevordering van de rechten van personen met een beperking te waarborgen. 7. Het Comité merkt op dat de Staatspartij haar intentie heeft gecommuniceerd om het Optionele Protocol bij het Verdrag te ratificeren, maar het ratificatieproces nog niet heeft voltooid. 8. Het Comité beveelt de Staatspartij aan om het proces voor de ratificatie van het Optionele Protocol bij het Verdrag snel af te ronden. 9. Het Comité is bezorgd over de tijdlijn voor de ratificatie en implementatie van het Verdrag in de Caribische gebieden van Nederland. 10. Het Comité beveelt de Staatspartij aan om de ratificatie en volledige implementatie van het Verdrag in het Caribische deel van Nederland te versnellen en een plan op te stellen voor de implementatie van het Verdrag met duidelijke doelen, tijdlijnen en indicatoren. Verder beveelt het Comité de Staatspartij aan om een proces op te zetten voor nauw overleg en de actieve betrokkenheid van personen met een beperking in het Caribische deel van Nederland via hun representatieve organisaties, evenals een onafhankelijk monitoring mechanisme van het implementatieproces. Het Comité dringt er bij de Staatspartij op aan om de snelle implementatie van het Verdrag in het Caribische deel van Nederland te waarborgen, om ervoor te zorgen dat personen met een beperking volledig van hun rechten genieten en om alle nieuwe wetgeving te baseren op het mensenrechten model van beperking. 11. Het Comité is bezorgd over: (a) Het ontbreken van een alomvattende strategie die alle artikelen en beginselen van het Verdrag behandelt, wat ertoe leidt dat het Verdrag niet volledig is opgenomen in het nationale recht; (b) Het ontbreken van een systematisch beoordelingsproces van bestaande wetten, beleid en regelgeving om vast te stellen of deze in overeenstemming zijn met de verplichtingen onder het Verdrag, of dat wetgevende maatregelen worden genomen om naleving van het Verdrag te waarborgen, evenals het gebrek aan harmonisatie in de implementatie van het Verdrag op alle overheidsniveaus, inclusief nationaal en gemeentelijk niveau, wat resulteert in inconsistenties en een zeer ongelijke bescherming en ondersteuning voor personen met een handicap die inbreuk maken op hun rechten onder het Verdrag; (c) De ongelijke implementatie van het Verdrag in gemeenten, met name op gebieden zoals de wettelijke verplichting om een Inclusie Agenda op te stellen, de toegankelijkheid van openbare diensten, het verstrekken van sociale ondersteuning en de financiering van organisaties van personen met een beperking, en het gebrek aan coördinatie tussen gemeenten, die barrières creëren voor personen met een beperking en hun leven aanzienlijk kunnen verstoren en hun volledige deelname aan de samenleving kunnen belemmeren, wat leidt tot een kloof tussen het wettelijk kader dat rechten onder het Verdrag erkent en de praktische implementatie ervan en de dagelijkse realiteit die personen met een beperking ervaren; (d) De rechterlijke macht en bestuursorganen die over het algemeen het nationale recht niet interpreteren in het licht van het Verdrag, zelfs niet op gebieden waar de respectieve interpretatieve reikwijdte zou bestaan. 12. Het Comité beveelt de Staatspartij aan: (a) Een alomvattende strategie te ontwikkelen om alle principes, verplichtingen en rechten van het Verdrag te mainstreamen op alle overheidsniveaus en ervoor te zorgen dat alle wetgeving en beleid in overeenstemming zijn met het mensenrechten model van handicap; (b) Bestaande wetten, beleid en regelgeving systematisch te herzien om de wetgevende maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen onder het Verdrag, en op mensenrechten gebaseerde actieplannen op te stellen met een duidelijk concept van handicap die maatregelen bevatten om de rechten onder het Verdrag te bevorderen, te beschermen en te vervullen. (c) Nationale normen en richtlijnen op te stellen om een effectieve implementatie van het Verdrag in gemeenten te garanderen, voldoende middelen en training te bieden aan lokale autoriteiten en gemeenten te helpen bij het nakomen van hun verplichtingen onder het Verdrag, met name met betrekking tot de kwaliteit van ondersteunende diensten en het opstellen van een Inclusie Agenda; een strategie te ontwikkelen om duidelijke communicatie en coördinatie tussen gemeenten te garanderen om de continuïteit van diensten en ondersteuning voor personen met een handicap op alle gebieden van het leven te vergemakkelijken bij verhuizing tussen gemeenten; (d) Zorgen dat haar gerechtelijke en bestuurlijke organen de rechten die in het Verdrag zijn vastgelegd, consequent en effectief toepassen in individuele gevallen, hetzij als grondslag voor vorderingen of als leidraad voor de interpretatie van het nationale recht. 13. Het Comité is bezorgd over: (a) Het gebrek aan deelname van personen met een beperking aan beleids- en besluitvormingsprocessen, waaronder vrouwen met een beperking, en het daaruit voortvloeiende falen om specifieke vereisten en belemmeringen in wetgeving, beleid en programma's aan te pakken, waaronder ontoereikende mechanismen voor overleg en betrokkenheid van organisaties van personen met een beperking op alle overheidsniveaus, evenals de belemmeringen waarmee organisaties van personen met een beperking worden geconfronteerd bij gelijke deelname aan nationale en Europese normalisatie processen, wat van invloed is op de ontwikkeling van toegankelijkheidsnormen; (b) Het gebrek aan financiële steun en onvoldoende structurele financiering voor organisaties van personen met een beperking om deelname aan publieke besluitvorming mogelijk te maken; 14. Herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 7 (2018), beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met de actieve betrokkenheid van personen met een beperking via hun representatieve organisaties: (a) Een alomvattende strategie ontwikkelt en implementeert om de participatie van personen met een beperking, met inbegrip van vrouwen en meisjes met een beperking, in alle beleids- en wetgevingsprocessen te waarborgen, met inbegrip van mechanismen voor regelmatig overleg en betrokkenheid, adequate middelen en ondersteuning aan de organisaties om hun capaciteit voor effectieve participatie op te bouwen, met inbegrip van het Caribisch gebied van Nederland, en de effectieve participatie van vrouwen en meisjes met een beperking, via hun representatieve organisaties, op alle gebieden en op alle niveaus te bevorderen; prioriteit geeft aan de doelstelling om een duidelijke strategie aan te nemen om een infrastructuur voor participatie in de Nationale Strategie 2040 te creëren; (b) Beleid aanneemt om de financiële voorwaarden te creëren voor participatie van alle personen met een beperking via hun representatieve organisaties op alle overheidsniveaus en voor organisaties van alle omvang, onder meer door te zorgen voor langdurige en structurele ondersteuning. B. Specifieke rechten (art. 5–30) Gelijkheid en non-discriminatie (art. 5) 15. Het Comité merkt met bezorgdheid op dat studies en gegevens aangeven dat personen met een beperking, met name personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking, nog steeds te maken krijgen met stigmatisering en discriminatie in verschillende vormen, ondanks de bestaande wettelijke bepalingen. Het Comité maakt zich ook zorgen over: (a) De vrijstelling van onderwijs van antidiscriminatiewetgeving; (b) De verschillen in beleidshandhaving en -praktijken in verschillende regio's en instellingen die leiden tot zeer inconsistente bescherming en ondersteuning voor personen met een beperking die inbreuk maken op hun rechten onder het Verdrag; (c) Het gebrek aan aandacht voor intersectionaliteit in beleid en wetten, namelijk het ontbreken van maatregelen om de vereisten, ervaringen en meervoudige en kruisende barrières van personen met een beperking aan te pakken die mogelijk discriminatie op meerdere gronden ervaren; (d) De beperkte klachtenprocedures, rechtsmiddelen en verhaalmechanismen voor personen met een beperking die discriminatie ervaren; (e) Het ontbreken van gegevens over beperking, geslacht of leeftijd, met name in het gegevensverzamelingssysteem van de rechtbanken, waardoor het onmogelijk is om de intersectionaliteit van discriminatie te monitoren. 16. Het Comité, herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 6 (2018) en doelstellingen 10.2 en 10.3 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt de Staatspartij aan om: (a) de Wet gelijke behandeling van gehandicapten en chronisch zieken te wijzigen en expliciet het recht op inclusief onderwijs op te nemen; (b) duidelijke richtlijnen en procedures te ontwikkelen en te implementeren om de consistente toepassing en handhaving van antidiscriminatiebeleid en -praktijken in alle regio's en instellingen te waarborgen; (c) specifiek kwesties van intersectionaliteit aan te pakken in de Nationale Strategie 2040 voor de uitvoering van het Verdrag; (d) de effectiviteit van klachtenprocedures en verhaal mechanismen en hun toegankelijkheid voor personen met een handicap en hun representatieve organisaties te waarborgen; (e) systematisch uitgesplitste gegevens over handicap, ras, geslacht, leeftijd, etniciteit en andere status te verzamelen om passende maatregelen te nemen tegen en te focussen op intersectionaliteit van discriminatie op alle gebieden van het leven. Vrouwen met een beperking (art. 6) 17. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) Het ontbreken van wetten en beleid inzake gendergelijkheid met betrekking tot de rechten van personen met een beperking; (b) Het ontbreken van beleid, programma's en maatregelen om de rechten van vrouwen en meisjes met een beperking te beschermen, met name in gevallen van huiselijk en seksueel geweld; (c) Het ontbreken van overheidsplannen om actie te ondernemen gericht op de vooruitgang en empowerment van vrouwen en meisjes met een beperking en het verzuim om de positie van vrouwen en meisjes met een beperking op de nationale agenda te plaatsen; (d) Het ontbreken van expliciete opname van vrouwen met een beperking in beleid inzake gendergelijkheid of beperking, ook al zijn ze waarschijnlijker slachtoffer van geweld, inclusief seksueel geweld, dan andere vrouwen en mannen met een beperking, en het gebrek aan bewustzijn van het snijvlak van gender en beperking op het niveau van beleidsmakers. 18. Het Comité, herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 3 (2016) over vrouwen en meisjes met een handicap en doelstellingen 5.1, 5.2 en 5.5 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt de Staatspartij aan om, in nauw overleg met vrouwen en meisjes met een handicap via hun representatieve organisaties: (a) Specifieke wetten en beleidsmaatregelen vast te stellen die gendergelijkheid garanderen met betrekking tot de rechten van personen met een handicap, om een basis te bieden voor vrouwen met een handicap om gelijke rechten te genieten in alle aspecten van de samenleving. (b) Beleid, programma's en andere maatregelen vast te stellen om de rechten van vrouwen en meisjes met een handicap te beschermen, met een specifieke focus op het voorkomen van huiselijk en seksueel geweld tegen hen. (c) Ervoor te zorgen dat de rechten van vrouwen met een handicap in aanmerking worden genomen in alle relevante wetgevende en beleidskaders en prominent worden geplaatst in overheidsplannen en -agenda's; (d) Beleid en programma's te ontwikkelen over gendergelijkheid en handicap die expliciet ingaan op de vereisten van vrouwen met een handicap, en het bewustzijn van het snijvlak van gender en handicaps op het niveau van beleidsmakers te verbeteren. Kinderen met een handicap (art. 7) 19. Het Comité is bezorgd over het volgende: (a) Er zijn geen specifieke wetten en beleidslijnen die expliciet ingaan op de behoeften van kinderen met een beperking; (b) De bestaande uitgebreide ondersteuningsprogramma's en -diensten voor kinderen met een beperking zijn mogelijk niet voldoende effectief of breed toegankelijk; (c) Er is een hiaat in de systematische verzameling en het beheer van gegevens over kinderen met een beperking; (d) De betrokkenheid van kinderen met een beperking bij besluitvormingsprocessen die hun leven beïnvloeden, is beperkt. Hoewel er bepalingen bestaan, is er onvoldoende bewijs om aan te tonen dat de standpunten van kinderen met een beperking consistent en effectief in overweging worden genomen. 20. Herinnerend aan zijn gezamenlijke verklaring met het Comité voor de Rechten van het Kind en het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap over de rechten van kinderen met een handicap, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij: (a) Specifieke wetten en beleidsmaatregelen ontwikkelt en implementeert die expliciet betrekking hebben op de rechten van kinderen met een handicap. Zorg ervoor dat deze wetten op maat gemaakte ondersteuning bieden die rekening houdt met de specifieke vereisten van kinderen met een handicap. (b) Uitgebreide ondersteuningsprogramma's voor kinderen met een handicap versterken en uitbreiden, met de nadruk op onderwijs, gezondheidszorg en inclusie. Zorg ervoor dat deze programma's adequaat worden gefinancierd, breed toegankelijk zijn en effectief worden gemonitord. (c) Systematisch gegevens over kinderen met een handicap verzamelen en beheren, waarbij privacyoverwegingen in evenwicht worden gebracht met de behoefte aan nauwkeurige informatie. Gegevens opnemen over het aantal kinderen dat diensten ontvangt, in detentie zit, in vluchtelingencentra zit en betrokken is bij mensenhandel. (d) Mechanismen ontwikkelen om ervoor te zorgen dat kinderen met een handicap vrij hun mening kunnen uiten over alle zaken die hen aangaan, en dat deze meningen het nodige gewicht krijgen op basis van hun leeftijd en volwassenheid. Ondersteuning bieden die is afgestemd op leeftijd, geslacht en handicap om hun deelname te vergemakkelijken. Bewustwording (art. 8) 21. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) Het wijdverbreide gebruik van prenatale screening/testen (NIPT) om beperkingen bij foetussen op te sporen die kunnen leiden tot beëindiging van zwangerschappen, wat de onderliggende discriminerende houding ten opzichte van personen met een beperking weerspiegelt; (b) Rapporten over druk van gezondheidspersoneel op ouders om zwangerschappen te beëindigen na een diagnose van het syndroom van Down of andere beperkingen, en de toename van selectieve beëindigingen van zwangerschappen, het promoten van het medische model van en het versterken van de maatschappelijke perceptie dat personen met het syndroom van Down en andere beperkingen minder waardevol zijn. (c) De onvoldoende opname van bewustzijn van beperkingen in onderwijscurricula en opleidingsprogramma's voor ambtenaren en de onvoldoende betrokkenheid van organisaties van personen met een beperking bij bewustmaking initiatieven en het ontoereikende bereik van communicatiecampagnes in de media en de samenleving, en over het feit dat publieke bewustmakingscampagnes niet voldoende uitgebreid zijn in de strijd tegen stigmatisering, stereotypen, vooroordelen, schadelijke praktijken, negatieve houdingen, pesten en haatmisdrijven, met name met betrekking tot verschillende soorten beperkingen. 22. Het Comité beveelt aan dat de Staatspartij, in nauw overleg met en met de actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties, waaronder organisaties van kinderen met een handicap en vrouwen en meisjes met een handicap: (a) Maatregelen implementeert om de rechten en waardigheid van personen met een handicap te beschermen, waaronder bewustmakingscampagnes om discriminerende houdingen te bestrijden en de inherente waarde van alle personen met een handicap te bevorderen; (b) Ervoor zorgt dat personen die NIPT gebruiken uitgebreide informatie en niet-directieve counseling krijgen die geen stereotypen over personen met een handicap en waarden die verband houden met het medische model van handicap bevorderen, en ouders helpt om volledig geïnformeerde beslissingen te nemen; (c) Uitgebreide bewustmakingsprogramma's en -maatregelen aanneemt en implementeert, zoals gerichte publieke bewustmakingscampagnes om stigma en discriminatie te bestrijden, gespecialiseerde trainingsprogramma's over de rechten van personen met een handicap en het mensenrechtenmodel van handicap voor beleidsmakers, de rechterlijke macht, wetshandhavers, de media, docenten, professionals die met en voor personen met een handicap werken, het grote publiek en gezinnen van kinderen met een handicap, en een robuust mechanisme voor toezicht en handhaving instelt . Toegankelijkheid (art. 9) 23. Het Comité is bezorgd over: (a) De nog steeds bestaande hiaten in het waarborgen van de toegankelijkheid van de fysieke omgeving, transport, informatie en communicatie voor personen met een beperking, ondanks de bestaande wetgeving, en de beperkte mogelijkheden voor wettelijke handhaving van toegankelijkheidsnormen, met name voor bestaande gebouwen en goederen en diensten; (b) De trage integratie van een 'universeel ontwerp'-benadering in het beleid van de staatspartij, met inbegrip van gemeentelijke planning wetten, en over onvoldoende toegankelijkheid vereisten in wetten en overeenkomsten inzake overheidsaanbestedingen; (c) De vertragingen in de volledige omzetting van de Europese Toegankelijkheidswet (EAA) in nationaal recht, het gebrek aan ambitie om toegankelijkheid vereisten voor de gebouwde omgeving volledig te implementeren, evenals het ontbreken van verplichte monitoring van de voortgang en implementatie van de toegankelijkheid, zowel in het Besluit woningbouw als in de Wet omgevings- en planningswet; (d) Het hoge aantal ontoegankelijke websites en apps van overheidsinstanties, ondanks de verplichte toegankelijkheid vereisten, en de vertragingen in de volledige implementatie van de richtlijn webtoegankelijkheid, evenals de rapporten over onterechte claims van volledige toegankelijkheid in toegankelijkheidsverklaringen op overheidswebsites; (e) Het gebrek aan digitale toegankelijkheid en kennis bij particuliere aanbieders, wat met name gevolgen heeft voor personen met een visuele beperking. 24. Herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 2 (2014) over toegankelijkheid, en Doelstelling 9, evenals doelstellingen 11.2 en 11.7 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties: (a) Uitgebreide maatregelen ontwikkelt en implementeert om volledige toegankelijkheid tot de fysieke omgeving, transport, informatie en communicatie te garanderen voor personen met een beperking in zowel stedelijke als landelijke gebieden; (b) De integratie van een 'universeel ontwerp'-norm in alle toegankelijkheidsbeleid versnelt, waarbij ervoor wordt gezorgd dat omgevingen, producten en diensten zo zijn ontworpen dat ze voor iedereen toegankelijk en bruikbaar zijn in de grootst mogelijke mate, zonder dat er aanpassingen of gespecialiseerd ontwerp nodig zijn. (c) De Europese Toegankelijkheidswet snel volledig omzet in nationale wetgeving, waarbij de minimumvereisten worden overtroffen; de toegankelijkheid vereisten voor de gebouwde omgeving verplicht stelt en deze normen opneemt in nationale overheidsaanbestedingen; een overkoepelend handhavings- en toezichtsmechanisme instelt voor de toegankelijkheid van openbare ruimten en de gebouwde omgeving via de Omgevings- en Planning Wet en het Besluit Woningbouw; (d) Neem onmiddellijk maatregelen om ervoor te zorgen dat alle websites en apps van overheidsinstanties volledig toegankelijk zijn en voldoen aan de nationale wetgeving en de Europese norm EN 301 549; stel een strenge verificatie in voor toegankelijkheidsverklaringen op overheidswebsites en verwerk en regelmatige monitoring om onterechte claims van volledige toegankelijkheid te voorkomen; (e) Verbeter de digitale toegankelijkheid en kennis onder particuliere aanbieders, met name zorgverleners, door gerichte trainingsprogramma's te implementeren, technische ondersteuning te bieden en prikkels te bieden om inclusieve ontwerppraktijken te hanteren. Recht op leven (art. 10) 25. Het Comité is bezorgd over: (a) Het aanzienlijke aantal personen met een beperking dat is overleden onder de verantwoordelijkheid van wetshandhavers, vergeleken met personen zonder beperking. (b) De recente wijzigingen in de euthanasiewet en het gebrek aan specifieke beschermingsmaatregelen om adequate besluitvorming voor personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking te waarborgen. 26. Het Comité beveelt de Staatspartij aan: (a) ervoor te zorgen dat het bestaande stigma rond ‘verward gedrag’ geen negatieve impact heeft op het werk van de rechtshandhaving; (b) ervoor te zorgen dat personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking vrij hun geïnformeerde toestemming kunnen geven onder de nieuwe euthanasiewet door onder meer mechanismen in te stellen die volledige, onpartijdige en op de beperking afgestemde informatie garanderen en bescherming bieden tegen ongepaste invloed en druk. Risicosituaties en humanitaire noodsituaties (art. 11) 27. Het Comité is bezorgd over: (a) Het ontbreken van opname van de vereisten van personen met een beperking in rampenrisicovermindering plannen en -strategieën om personen met een beperking te beschermen in risicosituaties, en het onvoldoende raadplegen van personen met een beperking bij het opstellen van dergelijke plannen en strategieën; (b) Informatie- en communicatie maatregelen die niet toegankelijk zijn voor alle soorten beperkingen tijdens noodsituaties en dat de veiligheid en het welzijn van personen met een beperking tijdens noodsituaties niet worden gegarandeerd. 28. Herinnerend aan het Sendai Framework for Disaster Risk Reduction 2015 – 2030, de Inter-Agency Standing Committee Guidelines on Inclusion of Persons with Disabilities in Humanitarian Action en de Guidelines on deinstitutionalization, including in emergencies, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg met en met de actieve betrokkenheid van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties, de bescherming en veiligheid van personen met een beperking in risicosituaties waarborgt, waaronder door: (a) Ervoor te zorgen dat rampenrisico respons plannen en -strategieën op federaal, regionaal en gemeentelijk niveau worden opgesteld in nauw overleg met personen met een beperking en hun representatieve organisaties en expliciet te reageren op hun specifieke vereisten in alle risicosituaties; (b) Ervoor te zorgen dat alle verschillende communicatie maatregelen volledig toegankelijk zijn, inclusief alarmnummers en hotlines die realtime communicatiemethoden implementeren en 24/7 toegang bieden tot diensten zoals sms-berichten, video relay services en andere toegankelijke communicatietechnologieën om ervoor te zorgen dat personen met een beperking te allen tijde effectief contact kunnen opnemen met de hulpdiensten. Gelijke erkenning voor de wet (art. 12) 29. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) Het effect van de interpretatieve verklaring bij art. 12 van het Verdrag; (b) Het gebrek aan erkenning van het recht van personen met een handicap op gelijkheid voor de wet door het handhaven van vervangende besluitvorming regimes die resulteren in verlies of beperking van rechtsbevoegdheid, en het gebrek aan uitgebreide en gecoördineerde maatregelen om over te gaan van vervangende besluitvorming naar ondersteunde besluitvormingsmodellen, en dat ondersteunde besluitvormingsmechanismen niet voor iedereen worden geïmplementeerd; (c) Negatieve effecten in verband met administratief voogdijschap op alle gebieden van het leven, zoals speciale banken die het bestaan van voogdijschap scheiden en voor iedereen zichtbaar maken, hoge kosten in verband met het veranderen van beheerders en voogdij als legitieme reden om een persoon als huurder te weigeren. 30. Herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 1 (2014), beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties: (a) Zijn interpretatieve verklaring bij art. 12 van het Verdrag intrekt; (b) Alle wetgeving en beleid intrekt die vervangende besluitvorming toestaan en deze vervangt door ondersteunde besluitvorming regimes die de wil en voorkeur van personen met een beperking en hun recht op gelijke erkenning voor de wet respecteren, en ondersteunde besluitvorming volledig implementeert, inclusief monitoring- en klachtenmechanismen zonder kosten, en een systeem van ondersteunde besluitvorming introduceert in het Caribisch gebied van Nederland; (c) Ervoor zorgt dat de toegang tot woningcoöperaties en banken niet negatief wordt beïnvloed door bestaande voogdij regimes. Toegang tot het recht (art. 13) 31. Het Comité is bezorgd over de belemmeringen voor toegang tot justitie voor personen met een beperking, namelijk: (a) Beperkingen op de rechtsbevoegdheid van personen met een beperking, met name personen met een beperking die onder curatele staan of andere vormen van vervangende besluitvorming regimes; (b) Beperkte toegankelijkheid van veel gerechtsgebouwen en beperkte toegankelijkheid van gerechtelijke procedures in gerechtelijke en administratieve instanties, met name voor personen met een beperking met gehoorproblemen; (c) De hoge kosten voor rechtsbijstand en griffierechten, waardoor de toegang tot justitie voor personen met een laag inkomen, zoals personen met een beperking die afhankelijk zijn van uitkeringen, wordt belemmerd; (d) Complexe beroepsprocedures en een gebrek aan toegankelijke informatie. 32. Het Comité herinnert aan de Internationale Principes en Richtlijnen inzake Toegang tot Justitie voor Personen met een Handicap die in 2020 zijn opgesteld door de Speciale Rapporteur voor de rechten van personen met een handicap en de Speciale Gezant van de Secretaris-Generaal voor Handicap en Toegankelijkheid, goedgekeurd door het Comité, evenals doel 16.3 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen en beveelt de Staatspartij aan: (a) Wetgeving in te trekken die de rechtsbevoegdheid van personen met een handicap in gerechtelijke en administratieve procedures beperkt, en hun toegang tot justitie op gelijke basis met anderen te garanderen, inclusief gedurende gerechtelijke en administratieve procedures; (b) Toegang tot gerechtelijke en administratieve faciliteiten te waarborgen voor alle personen met een handicap, inclusief door universeel ontwerp, en het aanbieden van alternatieve en aanvullende middelen van informatie en communicatie voor gebruik gedurende gerechtelijke procedures, zoals braille, gebarentaal, toegankelijke digitale formaten, Easy Read, audiodescriptie en video transcriptie; (c) De nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat economische barrières de toegang tot justitie niet belemmeren, met name voor personen die afhankelijk zijn van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. (d) Zorg ervoor dat juridische procedures rekening houden met beperkingen en gender en zorg ervoor dat personen met een beperking toegang hebben tot duidelijke, toegankelijke informatie en adequate juridische bijstand. Ook moet er een centraal punt worden opgezet voor advies en ondersteuning op maat, zodat personen met een beperking hun weg kunnen vinden in de complexiteit van het rechtssysteem en hun rechten effectief kunnen uitoefenen. Vrijheid en veiligheid van de persoon (art. 14) 33. De commissie maakt zich zorgen over: (a) Bepalingen in de Wet verplichte GGZ (WVGGZ) en de Wet verzorging en onvrijwillige behandeling psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (WGZ) die de onvrijwillige detentie van personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking mogelijk maken; (b) Het complexe en moeilijk te begrijpen klachtenmechanisme tegen gedwongen institutionalisering en het gebrek aan toegankelijke informatie over het recht op ondersteuning door een vertrouwenspersoon voor cliënten; (c) Informatie over een gebrek aan opleiding van wetshandhavers over de behoeften van personen met een handicap. 34. Herinnerend aan de richtlijnen inzake het recht op vrijheid en veiligheid van personen met een handicap en de richtlijnen inzake deïnstitutionalisering, ook in noodsituaties, evenals het algemene commentaar nr. 1 (2014), beveelt het Comité aan dat de staatspartij alle wetgevende, administratieve, beleidsmatige en gerechtelijke maatregelen neemt die nodig zijn om: (a) alle wettelijke bepalingen, beleidslijnen en praktijken te herzien en in te trekken die onvrijwillige vrijheidsberoving op basis van handicap toestaan en de interpretatieve verklaring bij artikel 14 van het Verdrag in te trekken; (b) een robuust monitoring- en evaluatiekader voor onvrijwillige behandeling, inclusief onvrijwillige maatregelen thuis, op te zetten en maatregelen te nemen om naleving van rapportageverplichtingen te waarborgen en personen met een handicap informatie in toegankelijke formaten en toegang tot juridische vertegenwoordiging te bieden bij het indienen van klachten tegen gedwongen institutionalisering; (c) alle wetshandhavers te trainen over de vereisten voor personen met een handicap; (d) Erken de gezamenlijke open brief van het Comité met de Speciale Rapporteur voor de rechten van personen met een handicap van juni 2021 en steun bij zijn toekomstige deelname aan elk proces voor een aanvullend protocol of aanbeveling bij het Verdrag van Oviedo geen dwingende maatregelen en bevorder de totstandkoming van een niet-dwingend kader voor geestelijke gezondheid. Vrijheid van marteling of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (art. 15) 35. Het Comité is bezorgd over: (a) Het effect van de interpretatieve verklaring bij art. 15 van het Verdrag en de uitzonderingen voor unieke situaties in de nationale wetgeving, die het risico inhouden dat personen met een beperking zonder hun toestemming worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten; (b) Het gebruik van gedwongen medische procedures en behandelingen, zoals niet-consensuele toediening van medicatie of elektroconvulsietherapie, bij personen met een beperking in psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor sociale zorg, evenals het voortdurende gebruik van eenzame opsluiting in zorginstellingen en rapporten over het gebruik van tasers door wetshandhavers in instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, ondanks moties om dergelijk gebruik te verbieden; (c) De afhankelijkheid van veel personen met een beperking van zorgverleners als tussenpersoon om een klacht in te dienen; (d) Rapporten dat de staatspartij onvoldoende maatregelen heeft genomen om de zorgen aan te pakken die het Comité tegen Foltering heeft geuit met betrekking tot de behandeling van kinderen in institutionele settings voor jongeren, en rapporten van organisaties van personen met een beperking over misbruik en geweld in gesloten jeugdzorginstellingen zoals de ZIKOS-instellingen. 36/ Herinnerend aan zijn richtlijnen inzake deïnstitutionalisering, ook in noodsituaties, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij: (a) De interpretatieve verklaring bij Artikel 15 van het Verdrag intrekt en de nationale wetgeving wijzigt om ondubbelzinnig alle medische of wetenschappelijke experimenten op personen met een beperking te verbieden zonder hun vrije en geïnformeerde toestemming; (b) Alle vormen van gedwongen medische procedures en behandelingen in de wet, het beleid en de praktijk afschaft; het gebruik van eenzame opsluiting in zorginstellingen staakt en alternatieve maatregelen ontwikkelt en implementeert; het verbod op het gebruik van tasers door wetshandhavers in instellingen voor geestelijke gezondheidszorg handhaaft en ervoor zorgt dat acties van wetshandhaving in instellingen strikt worden gereguleerd en gecontroleerd; (c) Onafhankelijke en toegankelijke klachtenmechanismen instelt die personen met een beperking in staat stellen rechtstreeks klachten in te dienen, zonder afhankelijk te zijn van zorgverleners, en ervoor zorgt dat alle klachten grondig worden onderzocht en aangepakt; (d) De plaatsing van kinderen in gesloten zorginstellingen stopzet, bestaande instellingen nauwlettend in de gaten houdt en de exploitatie van alle gesloten jeugdzorg faciliteiten beëindigt; Zorg ervoor dat alternatieve zorg- en ondersteuningsopties binnen de gemeenschap beschikbaar en toegankelijk zijn. Vrijheid van uitbuiting, geweld en misbruik (art. 16) 37. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) De onvoldoende bescherming van studenten met een beperking via de Beleidsvisie op de bevordering en bescherming van seksuele gezondheid op scholen en de gebrekkige toegankelijkheid ervan; (b) Het aanzienlijke aantal personen met een beperking dat seksueel geweld heeft meegemaakt en het hoge risico op geweld en misbruik voor vrouwen en meisjes met een beperking, zowel in de openbare als in de privésfeer, en over berichten dat vrouwen en meisjes met een beperking die slachtoffer zijn van seksueel geweld geen toegang hebben tot het Centrum Seksueel Geweld, het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld (Veilig Thuis) of talrijke opvangcentra voor vrouwen, evenals het gebrek aan toegankelijke informatie over seksueel geweld en slachtofferhulpdiensten; (c) Het gebrek aan uitgebreide gegevensverzameling, onderzoek en monitoring over de prevalentie en aard van geweld, inclusief seksueel misbruik, tegen personen met een beperking, waaronder vrouwen, kinderen, ouderen, evenals migranten, asielzoekers en vluchtelingen met een beperking; (d) Het ontbreken van een actieplan om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) te implementeren. 38. Herinnerend aan zijn verklaring van 24 november 2021 over de uitbanning van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap, en doelstellingen 5.1, 5.2 en 5.5 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties: (a) Zijn beleid en maatregelen voor de bevordering en bescherming van seksuele gezondheid in schoolomgevingen herziet en volledige toegankelijkheid en vroege identificatie van geweld en misbruik tegen studenten met een handicap waarborgt; (b) Uitgebreide en gerichte maatregelen implementeert om seksueel geweld en misbruik tegen personen met een handicap, met name vrouwen en meisjes met een handicap, te voorkomen en aan te pakken, met inbegrip van passend uitgeruste en toegankelijke ondersteunende diensten voor overlevenden; Garanderen dat vrouwen en meisjes met een handicap die slachtoffer zijn van seksueel geweld toegang hebben tot de centra en opvangcentra voor vrouwen; Toegankelijkheid van dergelijke centra en opvangcentra en van informatie over seksueel geweld, slachtofferhulpdiensten en meldingsmechanismen waarborgt; (c) Een uitgebreid systeem voor gegevensverzameling en monitoring mechanismen opzetten om uitgesplitste gegevens te verzamelen over alle vormen van geweld tegen personen met een beperking, inclusief intersectionele gegevens over geslacht, leeftijd, type beperking en andere relevante factoren, en uitgebreid onderzoek uitvoeren dat inclusief is voor personen met een beperking; (d) Een actieplan ontwikkelen om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) te implementeren, met specifieke aandacht voor de behoeften van vrouwen en meisjes met een beperking. Bescherming van de integriteit van de persoon (art. 17) 39. Het Comité is bezorgd over: (a) Informatie over mogelijke behandeling en begeleiding door medische experts die nog steeds gebaseerd is op het medische model van handicap, bijvoorbeeld met betrekking tot intersekse kinderen, evenals de informatie die wordt verstrekt aan zwangere vrouwen die een prenatale screening ondergaan; (b) De rapporten van niet-consensuele, onnodige en onomkeerbare medische interventies en behandelingen die worden uitgevoerd op intersekse personen, inclusief tijdens de zuigelingentijd en de kindertijd, inclusief sterilisatie en castratie, hormoonbehandeling en genitale chirurgie die vaak worden uitgevoerd onder de leeftijd van 12 jaar; (c) Rapporten van wettelijke bepalingen en praktijken die gedwongen anticonceptie van vrouwen met een handicap toestaan. 40. Het Comité beveelt de Staatspartij aan: (a) ervoor te zorgen dat advies- en informatiediensten op het gebied van handicaps, met name voor intersekse ouders en hun families en voor zwangere vrouwen die een prenatale screening ondergaan, gebaseerd zijn op het mensenrechtenmodel in plaats van het medische model van handicaps; (b) duidelijke wettelijke bepalingen aan te nemen die expliciet het uitvoeren van onnodige en onomkeerbare medische interventies, waaronder chirurgische, hormonale of andere medische procedures, bij intersekse baby's en kinderen verbieden; adequate counseling en ondersteuning te bieden aan families van intersekse kinderen; en gezondheidszorg en psychosociale ondersteuning te bieden aan intersekse personen die het slachtoffer zijn geworden van intersekse genitale verminking; (c) wettelijke bepalingen en praktijken, indien van toepassing, in te trekken die gedwongen anticonceptie van personen met een handicap toestaan, waarbij ervoor wordt gezorgd dat elke beslissing met betrekking tot anticonceptie is gebaseerd op de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokken personen. Vrijheid van verkeer en nationaliteit (art. 18) 41. Het Comité is bezorgd over: (a) Het gebrek aan informatie over de toegankelijkheid van informatie en training en monitoring van mensen die werken met asielzoekers en vluchtelingen met een beperking; (b) Het verzuim om systematisch uitgesplitste gegevens te verzamelen over asielzoekers en vluchtelingen met een beperking. 42. Het Comité beveelt de Staatspartij aan: (a) Training te bieden aan mensen die werken met asielzoekers, vluchtelingen en personen in vluchtelingen achtige situaties over de rechten en vereisten van personen met een beperking, en te zorgen voor de vaststelling van protocollen die rekening houden met beperkingen en gender; (b) Een mechanisme voor gegevensverzameling in te stellen om de ontwikkeling van gerichte beleidsmaatregelen en programma's te informeren en de effectiviteit te monitoren van maatregelen die zijn genomen om de rechten van vluchtelingen en asielzoekers met een beperking en van personen met een beperking in vluchtelingen achtige situaties te ondersteunen. Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij (art. 19) 43. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) De voortdurende institutionalisering van volwassenen en kinderen met een beperking, met name met een verstandelijke en/of psychosociale beperking, samen met meldingen van geweld en misbruik in deze instellingen en het ontbreken van een duidelijk, uitvoerbaar plan en tijdschema voor de-institutionalisering; (b) Gebrek aan volledig toegankelijke gemeenschapsgerichte diensten, waaronder geestelijke gezondheidszorg en persoonlijke assistentie; (c) Meldingen van een aanhoudend tekort aan betaalbare en toegankelijke huisvesting voor personen met een beperking; (d) Het gebrek aan aandacht voor de realisatie van inclusieve huisvesting en wonen regelingen, evenals de obstakels waarmee personen met een beperking worden geconfronteerd met betrekking tot huisvesting en wonen regelingen bij verhuizingen binnen of tussen gemeenten, wat leidt tot uitdagingen bij het behouden van onafhankelijk wonen, evenals de barrières waarmee personen met een beperking, met name personen die te maken hebben met complexe barrières, worden geconfronteerd bij het aanvragen van ondersteunende diensten in gemeenten, vanwege het bureaucratische, moeilijk te begrijpen en langdurige aanvraagproces. 44. Herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 5 (2017) over zelfstandig leven en opgenomen worden in de gemeenschap, zijn richtlijnen over de-institutionalisering, ook in noodsituaties, en het rapport van de speciale rapporteur voor de rechten van personen met een handicap over de transformatie van diensten voor personen met een handicap, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van organisaties van personen met een handicap: (a) Een duidelijke strategie en een uitgebreid actieplan ontwikkelt en implementeert om als prioriteit een einde te maken aan de institutionalisering van alle personen met een handicap, ook in kleine woonhuizen, en om de overgang van volwassenen en kinderen met een handicap naar gemeenschapsgerichte en huiselijke omgevingen te ondersteunen, met specifieke tijdschema's, voldoende menselijke, technische en financiële middelen en duidelijke verantwoordelijkheden voor implementatie en onafhankelijk toezicht; (b) Plannen ontwikkelt en bestaande programma's implementeert om gemeenschapsgerichte diensten te verlenen en te versterken, inclusief het ontwikkelen van geestelijke gezondheidszorg en persoonlijke assistentie in de gemeenschap, en bestaande diensten toegankelijk te maken voor alle personen met een handicap die in de gemeenschap wonen; (c) De inspanningen op alle niveaus van de staatspartij opvoeren om een einde te maken aan het tekort aan betaalbare en toegankelijke huisvesting voor personen met een beperking; (d) De kennis en het bewustzijn van inclusieve huisvesting en wonen regelingen en het recht van personen met een beperking om zelfstandig te wonen vergroten; Regelgeving en procedures in alle gemeenten harmoniseren en obstakels verminderen om ervoor te zorgen dat personen met een beperking minimale verstoringen ondervinden bij verhuizingen binnen of tussen gemeenten; het aanvraagproces voor ondersteunende diensten in gemeenten volledig toegankelijk maken en ervoor zorgen dat personen met een beperking tijdig toegang krijgen tot de ondersteuning die nodig is om zelfstandig te wonen; (e) De toewijzing van fondsen opnieuw onderzoeken, met inbegrip van de regionale fondsen die van de Europese Unie zijn verkregen en die bestemd zijn voor het verlenen van ondersteunende diensten voor personen met een beperking, om de volledige implementatie van het recht op zelfstandig wonen te waarborgen. Persoonlijke mobiliteit (art. 20) 45. Het Comité stelt met bezorgdheid vast: (a) Dat het openbaar vervoer nog niet volledig toegankelijk is voor personen met een beperking, waardoor hun vermogen om vrij en onafhankelijk te bewegen wordt beperkt, en de problemen die zich voordoen bij het combineren van verschillende soorten vervoer, wat leidt tot coördinatieproblemen en inconsistente toegankelijkheid; de gedeeltelijke vervanging van het openbaar vervoer door buurtbussen die worden gerund door vrijwilligers en die niet toegankelijk zijn, wat leidt tot afhankelijkheid van gescheiden doelgroepenvervoer; (b) De gerapporteerde problemen met doelgroepenvervoer waar personen met een beperking nog steeds sterk afhankelijk van zijn, zoals gebrekkige beschikbaarheid, stiptheid, aanzienlijk langere reistijd in vergelijking met regulier openbaar vervoer; (c) De verschillende toepasselijke wetten en regelingen, en de verschillende autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van mobiliteitshulpmiddelen, wat leidt tot versnippering en administratieve obstakels, zoals de noodzaak om opnieuw een aanvraag in te dienen bij pensionering of verhuizing tussen gemeenten; de contractuele beperkingen in het scala aan mobiliteitshulpmiddelen die worden verstrekt door ondersteunende voorzieningen in asielzoekerscentra en de daaruit voortvloeiende lagere kwaliteit. 46. Het Comité beveelt de Staatspartij aan: (a) Snel volledige toegankelijkheid van het openbaar vervoer te waarborgen, ongeacht de vervoerswijze of aanbieder; (b) De behoefte aan doelgroepenvervoer te minimaliseren door ervoor te zorgen dat al het openbaar vervoer volledig toegankelijk is; de betrouwbaarheid en efficiëntie van doelgroepenvervoer te verbeteren; (c) Wet- en regelgeving betreffende de voorziening van mobiliteitshulpmiddelen te harmoniseren om de continuïteit van ondersteuning en diensten te behouden; ervoor te zorgen dat alle asielzoekers en vluchtelingen met een beperking en personen met een beperking in vluchtelingen achtige situaties toegang hebben tot hoogwaardige mobiliteitshulpmiddelen die voldoen aan hun specifieke behoeften. Vrijheid van meningsuiting en meningsuiting, en toegang tot informatie (art. 21) 47. De commissie maakt zich zorgen over: (a) het ontbreken van een nationale wetgeving inzake audiodescriptie; (b) het tekort aan tolken in de Nederlandse gebarentaal en de toegenomen restrictiviteit bij de toewijzing van tolkuren door het Nederlands Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV); (c) belemmeringen waarmee personen met een beperking worden geconfronteerd bij het verkrijgen van toegang tot openbare informatie en communicatie, waaronder op websites en in mediadiensten. 48. Het Comité beveelt de Staatspartij aan, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties: (a) Wetgeving invoeren om audiodescriptie te garanderen in publieke en private media; (b) Maatregelen nemen tegen het tekort aan tolken in de Nederlandse gebarentaal en zorgen voor een eerlijke en voldoende toewijzing van tolkuren voor personen met een gehoorbeperking; (c) Voldoende financiering toewijzen voor de ontwikkeling, promotie en het gebruik van verschillende toegankelijke communicatie formaten, waaronder maar niet beperkt tot braille, doofblinden tolken, gebarentaal, Easy Read, gewone taal, audiodescriptie, video transcriptie, ondertiteling en tactiele, ondersteunende en alternatieve communicatiemiddelen. Respect voor de privacy (art. 22) 49. De commissie maakt zich zorgen over het ontbreken van wetgeving die de uitwisseling van privacygevoelige gegevens van niet-medische aard reguleert en over het gebrek aan duidelijkheid in de regels voor de verwerking van medische en niet-medische gegevens buiten de WZD en de WVGZZ. 50. Het Comité beveelt de Staatspartij aan om duidelijke regels op te stellen om de persoonlijke en medische gegevens die van personen met een beperking worden gevraagd bij het aanvragen van sociale voorzieningen, verzekeringen en andere rechten, tot een minimum te beperken. Ook moet ervoor worden gezorgd dat alleen essentiële informatie wordt verzameld en dat er maatregelen worden getroffen om personen te beschermen tegen onterechte druk om persoonlijke gegevens vrij te geven. Respect voor huis en gezin (art. 23) 51. Het Comité is bezorgd over: (a) De interpretatieve verklaring bij art. 23 van het Verdrag; (b) Beperkingen in de nationale wetgeving van het recht op voogdij, het recht op huwelijk en het recht op ouderschap voor personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking; (c) Professionals die personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking beoordelen als ‘niet goed genoeg voor ouderschap’, en het gebruik van anticonceptie ondersteunen en hen ontmoedigen om een gezin te stichten. 52. Het Comité verwelkomt de informatie die de Staatspartij heeft ontvangen tijdens de Constructieve dialoog over de lopende discussie over het intrekken van de interpretatieve verklaring bij art. 23, en beveelt de Staatspartij aan: (a) Zijn interpretatieve verklaring bij art. 23 van het Verdrag in te trekken; (b) Concrete stappen te ondernemen om de bepalingen in de nationale wetgeving die het recht op voogdij, huwelijk en ouderschap van personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking beperken, te herzien en deze te vervangen door bepalingen die een ondersteund besluitvormingsmodel vaststellen; (c) Maatregelen te nemen om de reproductieve gezondheid en rechten van personen met een beperking te beschermen, met inbegrip van onderwijs- en bewustwordingsprogramma's en training voor professionals in de gezondheidszorg over de reproductieve gezondheid en rechten van personen met een beperking en hun recht op autonome besluitvorming zonder enige vorm van discriminatie. Onderwijs (art. 24) 53. Het Comité is bezorgd over: (a) De instandhouding van het duale onderwijssysteem en het gebrek aan concrete doelstellingen, tijdlijnen en evaluaties in de Werkagenda voor Inclusief Onderwijs 2035 voor de ontwikkeling van kwalitatief inclusief onderwijs; (b) Het hoge en toenemende aantal kinderen dat in het speciaal onderwijs wordt geplaatst en de groeiende wachtlijsten op scholen voor speciaal onderwijs, evenals de mogelijkheid en het steeds grotere aantal vrijstellingen van verplicht onderwijs op basis van artikel 5a van de Wet op het verplicht onderwijs; (c) De beperkte training die wordt gegeven aan leraren in het algemeen onderwijs over de rechten van kinderen met een beperking op inclusief onderwijs en over inclusieve onderwijs methoden van lesgeven; (d) Het gebrek aan toegankelijkheid in reguliere scholen tot de ondersteuning die nodig is voor inclusief onderwijs, met name het gebrek aan redelijke aanpassingen, rekening houdend met alle verschillende soorten beperkingen, met name voor dove leerlingen en studenten met een gehoorbeperking; (e) Rapporten over stigma tegen studenten met een beperking, waaronder het ontmoedigen van personen met een beperking om toegang te krijgen tot tertiair onderwijs. 54. Herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 4 (2016), over het recht op inclusief onderwijs en doel 4.5 en 4.a van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van organisaties van personen met een beperking, leerlingen met een beperking en hun families, beveelt het Comité de Staatspartij aan om: (a) te werken aan een volledig inclusief onderwijssysteem voor alle kinderen, inclusief kinderen met intellectuele en/of psychosociale beperkingen en autistische kinderen, dat een einde maakt aan gespecialiseerd onderwijs; het huidige uitvoeringsplan te herzien; concrete doelstellingen, tijdlijnen en evaluatiemechanismen vast te stellen om een effectieve overgang naar inclusief onderwijs te garanderen; (b) onmiddellijk maatregelen te nemen om het aantal kinderen dat in speciaal onderwijs wordt geplaatst te verminderen door de capaciteit van reguliere scholen te vergroten om leerlingen met een beperking te huisvesten, door reguliere scholen voldoende middelen en ondersteuning te bieden om inclusie te vergemakkelijken, inclusief gespecialiseerde training; de nationale wetgeving inzake vrijstellingen van verplicht onderwijs voor kinderen met een beperking, inclusief kinderen met fysieke en intellectuele en/of psychosociale beperkingen, met hoge ondersteuning vereisten te wijzigen, en ervoor te zorgen dat alle kinderen met een beperking hun recht op onderwijs kunnen uitoefenen; (c) Verbeter de curricula en lesmethoden die worden aangeboden aan leraren in het reguliere onderwijs over de rechten van kinderen met een beperking op inclusief onderwijs en over inclusieve onderwijsmethoden voor lesgeven; (d) Zorg ervoor dat reguliere scholen volledig toegankelijk zijn en redelijke aanpassingen bieden voor alle soorten beperkingen, met name voor dove leerlingen en studenten met een gehoorbeperking; (e) Zorg voor toegang tot inclusief tertiair onderwijs, inclusief beroepsonderwijs en hoger onderwijs, voor kinderen en volwassenen met een beperking. Gezondheid (art. 25) 55. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) De interpretatieve verklaring bij artikel 25 waarin zorgprofessionals kunnen bepalen welke zorg uitsluitend op medische gronden wordt verleend; (b) Het ontbreken van maatregelen om ervoor te zorgen dat de wil en voorkeur en het recht op zelfbeschikking van personen met een beperking worden gerespecteerd bij alle medische procedures; (c) Rapporten over onterechte beïnvloeding van vrouwen die prenatale screening (NIPT) ondergaan voor het opsporen van de stoornis van een foetus; (d) De wachttijd voor personen met een beperking, met name personen met psychosociale beperkingen, om gezondheidsdiensten te ontvangen, en het ontbreken van effectieve overheidsmaatregelen om de wachttijd te verkorten; (e) De onvoldoende kennis van professionals in zorginstellingen, met name met betrekking tot niet-zichtbare beperkingen, en de daaruit voortvloeiende ongeschikte behandeling of beoordeling van niet-standaardgedrag, evenals de hardnekkigheid van negatieve stereotypen met betrekking tot personen met intellectuele en/of psychosociale beperkingen onder zorgaanbieders, wat leidt tot verschillen in behandeling en zorg; (f) De belemmeringen voor personen met een beperking bij de toegang tot passende gezondheidszorgdiensten, met name voor personen met een verstandelijke beperking, als gevolg van het ingewikkelde systeem en de vereiste digitale vaardigheden, en de verschillen in kwaliteit, beschikbaarheid en toegang tot gezondheidszorgdiensten tussen gemeenten. 56. Herinnerend aan de doelstellingen 3.7 en 3.8 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met de actieve betrokkenheid van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties: (a) De interpretatieve verklaring bij artikel 25 intrekt, zodat personen met een beperking hun volledige recht op gezondheidszorg kunnen ervaren; (b) Ervoor zorgt dat medische interventies gebaseerd zijn op de wil en voorkeur van personen met een beperking en hun recht op zelfbeschikking respecteren; (c) Ervoor zorgt dat zwangere vrouwen die een prenatale screening ondergaan om de stoornis van een foetus op te sporen, volledig geïnformeerde beslissingen over hun zwangerschap kunnen nemen zonder onterechte beïnvloeding; (d) Ervoor zorgt dat alle personen met een beperking, met name personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking, personen met een beperking die nog in instellingen wonen en kinderen en vrouwen met een beperking, tijdig toegang hebben tot gezondheidszorgdiensten, de wachttijd voor toegang tot gezondheidszorgdiensten verkorten en de gemeenschapsgerichte geestelijke gezondheidszorg diensten uitbreiden; (e) Zorg voor uitgebreide training voor professionals in de gezondheidszorg over de rechten van personen met een beperking en de vereiste van toegankelijkheid en redelijke aanpassingen in alle aspecten van de gezondheidszorg, evenals over het herkennen, begrijpen en behandelen van verschillende soorten beperkingen; implementeer verplichte trainingsprogramma's voor zorgverleners om hun bewustzijn en houding ten opzichte van personen met een verstandelijke en/of psychosociale beperking te verbeteren, negatieve stereotypen aan te pakken en een meer inclusieve en respectvolle benadering te bevorderen; (f) Verbeter de toegankelijkheid van gezondheidszorgdiensten en bied hulp aan personen met een beperking en hun families bij het navigeren door het gezondheidszorgsysteem. Rehabilitatie en revalidatie (art. 26) 57. Het Comité maakt zich zorgen over de belemmeringen die personen met een beperking ondervinden bij de terugkeer naar huis na een operatie of bij fysiotherapie, vanwege het dure en ingewikkelde systeem. 58. Het Comité herinnert aan het verband tussen artikel 26 van het Verdrag en doelstelling 3.7 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen en beveelt de staatspartij aan maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot uitgebreide en sectoroverschrijdende revalidatie- en diensten, programma's en technologie, binnen hun gemeenschap en in alle delen van de staatspartij. Arbeid en werkgelegenheid (art. 27) 59. Het Comité is bezorgd over: (a) De hoge incidentie van werkloosheid onder personen met een beperking, met name vrouwen met een beperking en jongeren met een beperking, evenals de aanhoudende discriminatie in betalingsmechanismen voor personen met een beperking met "verminderde arbeidscapaciteit"; (b) De discriminatie en barrières waarmee personen met een beperking te maken krijgen bij hun werkgelegenheid, waaronder het weigeren van redelijke aanpassingen en het ontbreken van maatregelen om de verantwoordingsplicht van werkgevers in de publieke en private sector te waarborgen voor het niet respecteren van de doelstellingen voor de werkgelegenheid van personen met een beperking; (c) Het gebruik van de term "beroepsmatige beperking" om te verwijzen naar personen met een beperking; (d) Het aanhoudende gebruik van het medische model om de werkgelegenheid agenda voor personen met een beperking te promoten, zoals blijkt uit het gebruik van beschutte werkplaatsen als middel om personen met een beperking in dienst te nemen. 60. Herinnerend aan zijn algemene opmerking nr. 8 (2022), en in lijn met doelstelling 8.5 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, in nauw overleg en met de actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisatie: (a) De nationale wetgeving herzien om systematische en structurele barrières aan te pakken die personen met een handicap ervaren, met name vrouwen met een handicap, jongeren met een handicap en personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap, en maatregelen nemen om het aantal personen met een handicap op de open arbeidsmarkt te vergroten; (b) De uitvoering van de overeenkomsten voor de doelstellingen van werkgelegenheid voor personen met een handicap in zowel de publieke als de private sector afdwingen, en maatregelen versterken om de toegankelijkheid en het verstrekken van redelijke aanpassingen op de werkplek te waarborgen, inclusief het vergroten van het bewustzijn onder werkgevers over hun verplichtingen en het verstrekken van middelen om het verstrekken van redelijke aanpassingen te vergemakkelijken; (c) De wetgeving wijzigen om op passende wijze te verwijzen naar personen met een handicap in plaats van de term "beroepsmatige handicap" op de arbeidsmarkt te gebruiken; (d) Alle noodzakelijke stappen ondernemen om programma's, beleid en wetgeving op de arbeidsmarkt af te stemmen op de mensenrechtenbenadering van handicaps, met inbegrip van de huidige praktijk van beschutte werkplaatsen. Voldoende levensstandaard en sociale bescherming (art. 28) 61. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) Het onevenredig hoge risico op armoede onder personen met een beperking, het gebrek aan maatregelen om armoede onder personen met een beperking aan te pakken en het gebrek aan regelmatige onderzoeken naar de systemische oorzaken van de kruising van armoede en beperking om overheidsbeleid en -plannen adequaat te informeren, met behulp van het mensenrechten model voor beperking; en het gebrek aan gegevensverzameling over armoede, inkomensongelijkheid en dakloosheid; (b) Het gebrek aan informatie over het aantal personen met een beperking, met name personen met psychosociale beperkingen en/of verstandelijke beperkingen, die hebben geprofiteerd van het daklozen programma; (c) Informatie waaruit blijkt dat het gecombineerde inkomen van het huishouden de hoogte van de sociale uitkeringen bepaalt die personen met een beperking ontvangen en de hoogte van hun persoonlijke bijdragen voor langdurige sociale uitkeringen, waardoor de toegang tot sociale uitkeringen voor personen met een beperking, met name jongeren met een beperking, wordt beperkt. 62. Herinnerend aan de verbanden tussen artikel 28 van het Verdrag en doelstelling 10.2 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, die gericht zijn op het versterken en bevorderen van de economische inclusie van alle personen, ongeacht hun handicap status, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij: (a) Het verhoogde risico op armoede onder personen met een handicap aanpakt en handicaps integreert in alle studies, onderzoeken, beleidsmaatregelen en plannen met betrekking tot armoedebestrijding, met behulp van het mensenrechten model van handicap; (b) Gelijke toegang voor personen met een handicap tot tehuizen voor daklozen te waarborgen, met name voor personen met psychosociale en/of intellectuele handicaps, en uitgebreide, multidisciplinaire programma's voor daklozen te ontwikkelen die zijn afgestemd op personen met intellectuele en/of psychosociale handicaps; (c) Te waarborgen dat handicap de belangrijkste factor is bij de erkenning en berekening van hulp voor handicap gerelateerde uitgaven, sociale toeslagen voor en persoonlijke bijdragen die van personen met een handicap worden vereist, waarbij op middelen gebaseerde huishoudelijke uitkeringen worden vermeden. Deelname aan het politieke en openbare leven (art. 29) 63. Het Comité is bezorgd over: (a) De interpretatieve verklaring bij Artikel 29, die een interpretatie van assistentie biedt die leidt tot een weigering van redelijke aanpassingen van personen met een beperking; (b) De lage deelname van personen met een beperking aan het openbare en politieke leven, met inbegrip van verkiezingscampagnes; (c) Het aanhoudende gebrek aan toegankelijkheid van de stemprocedure, met inbegrip van de fysieke ontoegankelijkheid van stembureaus en -hokjes en het gebrek aan toegankelijke informatie. 64. Het Comité beveelt aan dat de Staatspartij, in nauw overleg met en met de actieve betrokkenheid van personen met een beperking en hun representatieve organisaties: (a) Haar interpretatieve verklaring bij art. 29 van het Verdrag intrekt en de wetgevende kaders wijzigt om assistentie op te nemen als een vorm van redelijke aanpassing om de mensenrechten van alle personen met een beperking te waarborgen; (b) Maatregelen ontwikkelt en waarborgt om de effectieve en volledige deelname van personen met een beperking aan het politieke en openbare leven op gelijke basis met anderen te bevorderen, met inbegrip van het recht en de mogelijkheid voor personen met een beperking om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen, en toegang tot hoge besluitvorming posities op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau, en hun deelname aan openbare diensten vergroot door rekening te houden met indicator 16.7.1 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen; (c) De toegankelijkheid van stemmateriaal en stembureaus in alle regio's en gemeenten waarborgt, evenals van verkiezingscampagnes, onder meer door ondersteunende maatregelen te bieden voor personen met een verstandelijke beperking via alternatieve en aanvullende vormen van informatie. Deelname aan het culturele leven, recreatie, vrijetijdsbesteding en sport (art. 30) 65. Het Comité is bezorgd over de gebrekkige toegankelijkheid van bepaalde vergroten van het gebruik van dergelijke faciliteiten door personen met een handicap, met name personen met een handicap die een hoge ondersteuningsbehoefte hebben en kinderen met een handicap; 66. Het Comité beveelt de Staatspartij aan om, in nauw overleg en met de actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties, maatregelen te versterken om het gebruik en de toegankelijkheid van culturele, recreatie-, vrijetijds- en sportfaciliteiten door personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, aan te moedigen en te vergemakkelijken. C. Specifieke verplichtingen (art. 31–33) Statistieken en gegevensverzameling (art. 31) 67. Het Comité is bezorgd over: (a) De tekortkomingen in het verzamelen en publiceren van gegevens over de situatie van personen met een beperking in de gehele staatspartij, inclusief Caribisch Nederland en op alle gebieden van het leven, inclusief gezondheid, onderwijs, werkgelegenheid en het rechtssysteem; (b) Het ontbreken van uitgesplitste gegevens, inclusief met betrekking tot de situatie van lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele personen met een beperking, asielzoekers, vluchtelingen en staatloze personen met een beperking, personen met een beperking in vluchtelingenachtige situaties, personen met een beperking onder tijdelijke bescherming, kinderen met een beperking (met name met betrekking tot onderwijs), vrouwen en meisjes met een beperking en personen met een beperking in instellingen. 68. Het Comité beveelt aan dat de staatspartij de korte reeks vragen van de Washington Group on Disability Statistics over het functioneren en de beleidsmarketing inzake de inclusie en empowerment van personen met een beperking van het Development Assistance Committee van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling gebruikt, inclusiviteit bevordert en de systemen voor het verzamelen van gegevens over beperkingen verbetert, met gegevens die zijn uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, gender, ras, etniciteit, stedelijke of landelijke locatie en migranten-, vluchtelingen- of asielzoekers situatie, en: (a) Een uitgebreid nationaal kader voor gegevens over beperkingen ontwikkelen om passende, nationaal consistente maatregelen te garanderen voor het verzamelen, interpreteren en openbaar maken van uitgesplitste gegevens over het volledige scala aan verplichtingen onder het Verdrag, in de hele staatspartij, inclusief Caribisch Nederland, en dat de staatspartij bij het verzamelen van uitgesplitste gegevens haar privacywetgeving volledig respecteert. (b) Zorgen voor een passende, uitgesplitste verzameling van gegevens, onder meer met betrekking tot lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele personen met een handicap, etnische en raciale minderheden, vluchtelingen en staatloze personen met een handicap, personen met een handicap in vluchtelingenachtige situaties, personen met een handicap die tijdelijke bescherming genieten, kinderen met een handicap, vrouwen en meisjes met een handicap en personen met een handicap in instellingen. Internationale samenwerking (art. 32) 69. Het Comité is bezorgd over: (a) Het ontbreken van een systematische en gecoördineerde strategie om de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling te implementeren in de internationale samenwerkingsactiviteiten van de Staatspartij, met de volledige betrokkenheid van personen met een beperking, met inbegrip van de Europese Consensus inzake Ontwikkeling; (b) Het algemene gebrek aan systematische en actieve betrokkenheid van en nauw overleg met organisaties van personen met een beperking, met inbegrip van organisaties van vrouwen en meisjes met een beperking, in haar internationale samenwerkingsactiviteiten. 70. Het Comité beveelt aan dat de Staatspartij concrete maatregelen neemt om nauw overleg en actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties, te verzekeren bij internationale samenwerkingsovereenkomsten en -programma's, met name bij de uitvoering en monitoring van de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling en de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen op alle niveaus, en: (a) Een systematische en gecoördineerde strategie ontwikkelen om de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling te implementeren in haar internationale samenwerkingsactiviteiten, met inbegrip van de Europese consensus inzake ontwikkeling; (b) Maatregelen treffen om de actieve betrokkenheid en nauwe raadpleging van personen met een handicap, met inbegrip van vrouwen en meisjes met een handicap, via hun representatieve organisaties, te verzekeren bij het ontwerp, de ontwikkeling, de monitoring en de evaluatie van strategieën en programma's inzake internationale samenwerking. Nationale implementatie en monitoring (art. 33) 71. Het Comité erkent dat de Staatspartij een 'A'-status geaccrediteerd Nationaal mensenrechteninstituut heeft dat voldoet aan de Parijse Principes. Het Comité merkt echter met bezorgdheid op: (a) Het ontbreken van een systematische methode van coördinatie tussen de verschillende aandachtspunten die de Staatspartij heeft ingesteld om het Verdrag te implementeren; (b) Het ontbreken van mechanismen om de betrokkenheid van representatieve organisaties van mensen met een beperking uit Caribisch Nederland bij het toezicht op het Verdrag te waarborgen. 72. Herinnerend aan zijn richtlijnen over onafhankelijke toezichtskaders en hun deelname aan het werk van het Comité, beveelt het Comité aan dat de Staatspartij, met de actieve betrokkenheid en nauwe raadpleging van personen met een beperking via hun representatieve organisaties, waaronder vrouwen en kinderen met een beperking: (a) Een systematische methode van coördinatie tussen de verschillende aandachtspunten vaststelt die is ontworpen om het Verdrag te implementeren; (b) Mechanismen ontwikkelt om volledige en effectieve betrokkenheid en deelname van personen met een beperking, via hun representatieve organisaties, in Caribisch Nederland te verzekeren bij het monitoren van de implementatie van het Verdrag. IV. Vervolg Verspreiding van informatie 73. Het Comité benadrukt het belang van alle aanbevelingen in de huidige slotopmerkingen. Met betrekking tot dringende maatregelen die moeten worden genomen, wil het Comité de aandacht van de Staatspartij vestigen op de aanbevelingen in paragraaf 12, over algemene beginselen en verplichtingen, 36 over vrijheid van marteling of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, en 54 over onderwijs. 74. Het Comité verzoekt de Staatspartij om de aanbevelingen in de huidige slotopmerkingen uit te voeren. Het beveelt aan dat de Staatspartij de slotopmerkingen ter overweging en actie overdraagt aan leden van de regering en het parlement, ambtenaren in relevante ministeries, lokale autoriteiten en leden van relevante beroepsgroepen, zoals onderwijs, medische en juridische professionals, evenals aan de media, met behulp van moderne sociale communicatiestrategieën. 75. Het Comité moedigt de Staatspartij ten zeerste aan om maatschappelijke organisaties, met name organisaties van personen met een beperking, te betrekken bij de voorbereiding van haar periodieke rapport. 76. Het Comité verzoekt de Staatspartij om de onderhavige slotopmerkingen op grote schaal te verspreiden, onder meer aan niet-gouvernementele organisaties en organisaties van personen met een beperking, en aan personen met een beperking zelf en hun familieleden, in de nationale en minderheidstalen, met inbegrip van gebarentaal, en in toegankelijke formaten, waaronder Easy Read, en om ze beschikbaar te stellen op de website van de overheid over mensenrechten. Volgende periodieke rapportage 77. Onder de vereenvoudigde rapportageprocedure, die de standaardprocedure is die door het Comité is aangenomen voor periodieke rapporten, zal het Comité de Staatspartij een lijst met kwesties sturen voorafgaand aan de rapportage, ten minste één jaar vóór 14 juli 2030, de datum waarop de gecombineerde tweede tot en met vierde periodieke rapporten van de Staatspartij moeten worden ingediend.De antwoorden van de Staatspartij op die lijst met kwesties vormen de gecombineerde tweede tot en met vierde periodieke rapporten.
Comments
Post a Comment